Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT8727
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit ouderdomspensioen. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/5345 NABW en 03/5347 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 september 2003 reg.nrs. 03/61 NABW en 03/62 NABW.

Het geding is behandeld ter zitting van 31 mei 2005, waar voor appellante is verschenen mr. Piternella, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door P.J.J. Spronk, werkzaam bij de gemeente Breda.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 27 maart 2002 heeft gedaagde de bijstand met ingang van 1 november 2001 voortgezet naar de norm voor een alleenstaande van 65 jaar of ouder onder aftrek van haar pensioenuitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (€ 287,86 per maand) en de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (€ 109,81 per maand).

Bij besluit van 3 juni 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 december 1997 (lees: 1996) tot en met 31 oktober 2001 herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 13.868,82 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 29 juli 2002 is het terug te vorderen bedrag nader bepaald op € 10.705,13. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat appellante niet aan gedaagde heeft gemeld dat haar ingaande 1 december 1996 door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) te Willemstad een ouderdomspensioen ingevolge de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (hierna: pensioen-NA) is toegekend.

Bij afzonderlijke besluiten van 28 november 2002 zijn de door appellante gemaakte bezwaren tegen de besluiten van respectievelijk 27 maart 2002, 3 juni 2002 en 29 juli 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 november 2002 dat betrekking heeft op de normwijziging en de kortingen van de pensioenuitkeringen (besluit 1) gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten en voorts het beroep tegen het andere besluit van 28 november 2002 dat ziet op de herziening en de terugvordering (besluit 2) ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd. Daartoe is - samengevat - aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting wel is nagekomen, dat zij reeds eerder heeft gemeld dat zij vanaf haar 60ste jaar een pensioen-NA ontvangt, dat haar broer de op haar bankrekening gestorte bedragen heeft opgemaakt, dat zij een deel van de verstrekte pensioen-NA aan de Sociale Verzekeringsbank van de Nederlandse Antillen moet terugbetalen en dat een deel van de gemaakte kosten van bijstand niet kan worden teruggevorderd in verband met de in artikel 81, derde lid, van de Abw opgenomen vervaltermijn van twee jaar.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



De korting van de pensioenuitkeringen

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante met ingang van 1 november 2001 een AOW-pensioen is toegekend en dat haar in aanvulling daarop bijstand toekomt tot maximaal de norm voor een alleenstaande van 65 jaar en ouder. Partijen houdt slechts verdeeld of en in hoeverre bij de verlening van bijstand tevens rekening dient te worden gehouden met het pensioen-NA van appellante.

Uit de stukken blijkt dat door de SVB te Willemstad aanvankelijk aan appellante bij besluit van 6 maart 1997 met ingang van 1 december 1996 een pensioen-NA is toegekend van Nafl. 436,-- per maand. Daarbij is er kennelijk - ten onrechte - van uitgegaan dat appellante nog op de Nederlandse Antillen woonachtig was. Bij besluit van 25 oktober 2000 is dit besluit weer ingetrokken en is dat ouderdomspensioen alsnog per 1 december 1996 vastgesteld op Nafl. 208,-- per maand. Deze bedragen zijn voorts jaarlijks geïndexeerd en geleidelijk verhoogd. Per 1 januari 2000 beliep het pensioen-NA voor appellante Nafl. 230,-- per maand. Bij brief van 20 juli 2001 is aan appellante meegedeeld dat zij een bedrag van Nafl. 4.270,-- aan de SVB te Willemstad dient terug te betalen wegens eerder teveel uitbetaald pensioen. Terzake is een schuldbekentenis opgemaakt en appellante heeft ermee ingestemd dat de schuld wordt voldaan middels inhouding op het haar toekomende pensioen-NA ingaande augustus 2001 met Nafl. 150,-- per maand.

De Raad stelt vast dat gedaagde - voorzover hier van belang - met ingang van 1 november 2001 een bedrag van € 109,81 per maand op de bijstand van appellante in mindering heeft gebracht wegens inkomsten uit pensioen-NA. Dit bedrag stemt (nagenoeg) overeen met het bedrag dat appellante bij wijzigingsbesluit van 25 oktober 2000 is toegekend, zoals nadien geïndexeerd. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde dit bedrag terecht gerekend tot de in aanmerking te nemen middelen van appellante als bedoeld in artikel 42 en 47, eerste lid, van de Abw, zodat dit bedrag ingevolge artikel 26 en 27 van de Abw in mindering komt op de algemene bijstand. De grief dat appellante in verband met de aflossing van bovenvermelde schuld van het bedrag van € 109,81 slechts € 41,-- daadwerkelijk krijgt uitbetaald kan hier niet aan afdoen, reeds omdat appellante zelf met de inhouding op haar pensioen-NA heeft ingestemd.

De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat gedaagde per 1 november 2001 terecht een bedrag van € 109,81 per maand op de aanvullende bijstand van appellante in mindering heeft gebracht.



De herziening en terugvordering

De Raad stelt eerst vast dat de herziening van het recht op bijstand blijkens besluit 2 berust op artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Dit is niet juist nu de herziening tevens ziet op het recht op bijstand over een vóór 1 juli 1997 gelegen periode. In zoverre is besluit 2 in strijd met de wet. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad is evenwel van oordeel dat de rechtsgevolgen van dit te vernietigen deel van besluit 2 in stand kunnen worden gelaten en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Het gegeven dat appellante met ingang van 1 december 1996 een pensioen-NA is toegekend is onmiskenbaar een voor de voortzetting van de bijstand van belang zijnde omstandigheid. Door dit niet onverwijld, uit eigen beweging en op de voorgeschreven wijze (primair via de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren) aan gedaagde kenbaar te maken heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De enkele omstandigheid dat appellante in een andere procedure bij de rechtbank op 25 juni 1998 heeft vermeld dat zij in haar geboorteland vanaf haar 60ste jaar een pensioenuitkering krijgt, doet hier niet aan af, reeds omdat dit onverlet laat dat appellante haar inlichtingenformulieren juist en volledig dient in te vullen.

Nu appellante ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte en tot een te hoog bedrag bijstand is verleend was gedaagde gerechtigd, en vanaf 1 juli 1997 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden, om tot herziening van het recht op bijstand over de periode van 1 december 1996 tot en met 31 oktober 2001 over te gaan. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien is de Raad niet gebleken.

Het voorgaande brengt met zich dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde - met in achtneming van het navolgende - gehouden was tot terugvordering over te gaan.
Appellante heeft zich erop beroepen dat terzake van de terugvordering de vervaltermijn van twee jaar, genoemd in artikel 81, derde lid, van de Abw, van toepassing is. De Raad kan appellante daarin niet volgen, aangezien in dit geval niet artikel 81, tweede lid (in welk geval een vervaltermijn van twee jaar geldt), maar artikel 81, eerste lid, van de Abw de terugvorderingsgrondslag vormt.

Niettemin oordeelt de Raad dat besluit 2 voorzover dit ziet op de terugvordering in rechte geen stand kan houden. Ingevolge de vervaltermijn van artikel 61d van de ABW, welk artikel tot 1 juli 1997 zijn gelding heeft behouden, kan de terugvordering immers niet verder terugwerken dan vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop het primaire terugvorderingsbesluit is verzonden (d.i. 3 juni 2002). Dit betekent dat de terugvordering voorzover deze ziet op de periode van 1 december 1996 tot en met 2 juni 1997 niet in stand kan blijven. Aangezien naar vaste rechtspraak van de Raad een terugvorderingsbesluit voorts als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand en een executoriale titel oplevert, kan besluit 2 voorzover dit ziet op de terugvordering niet in stand blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Raad besluit 2 in zoverre vernietigen en bepalen dat gedaagde terzake een nieuw besluit op bezwaar neemt. Van dringende redenen om, anders dan met inachtneming van de geldende vervaltermijn, geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.

Gelet op het voorgaande zal de Raad beslissen zoals nader is aangeduid onder rubriek III.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover deze betrekking heeft op griffierecht en proceskosten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt besluit 2 voorzover dit ziet op de herziening van het recht op bijstand over de periode van 1 december 1996 tot 1 juli 1997 en op de terugvordering;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2 voorzover dit ziet op de herziening in stand blijven;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt ten aanzien van de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Breda aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Breda aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 87,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x