Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT9220
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Gezamenlijke huishouding. De overschrijding van de bezwaartermijn is niet verschoonbaar te achten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/4238 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. J. Stam, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 juli 2003, reg.nr. 02/705 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 mei 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Stam, en waar gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving vanaf 1 oktober 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%.

Naar aanleiding van bij gedaagde in april 1998 en januari 1999 binnengekomen tips, dat appellante een gezamenlijke huishouding zou voeren met [naam huisgenoot], is het Regionaal Bureau Sociale Recherche in januari 1999 een onderzoek gestart naar de woon- en leefsituatie van appellante en [naam huisgenoot]. Dit onderzoek werd vooralsnog niet afgerond en is in juli 2001 voortgezet. In dat kader zijn onder meer observaties verricht, is bij diverse instanties informatie ingewonnen, is een huisbezoek afgelegd in de woning van appellante, zijn appellante en [naam huisgenoot] gehoord en heeft er dossieronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen van het onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 31 januari 2002, heeft gedaagde bij besluit van 21 januari 2002 het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 november 2001 beindigd. Voorts heeft gedaagde bij besluit van 25 februari 2002 het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 oktober 2001 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van 17.724,64 van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 10 juni 2002 heeft gedaagde het bezwaar gericht tegen het besluit van 21 januari 2002 wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 25 februari 2002 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 juni 2002 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Over het namens appellante naar voren gebrachte standpunt dat de besluiten van 21 januari 2002 en 25 februari 2002 als n besluit gelezen dienen te worden, zodat zij met haar bezwaarschrift van 7 maart 2002 tijdig is opgekomen tegen het besluit van 21 januari 2002, wordt het volgende overwogen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat sprake is van twee besluiten die, gelet op het verschil in feitelijke gevolgen en rechtsgevolgen, niet onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. In de namens appellante aangevoerde omstandigheid dat zij pas bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 21 januari 2002 na ontvangst van het besluit van 25 februari 2002, omdat zij van de sociale recherche had gehoord dat zij vanzelf bericht zou krijgen over de terugbetaling van de teveel ontvangen bijstand, ziet de Raad geen aanleiding om aan te nemen dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is derhalve geen sprake.

Ten aanzien van de vraag of appellante en [naam huisgenoot] in de periode van 1 januari 2000 tot 1 november 2001 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd overweegt de Raad als volgt. Appellante en [naam huisgenoot] hebben allebei tegenover de sociale recherche verklaard dat [naam huisgenoot] vanaf januari 2000 vijf nachten per week bij appellante was, dat [naam huisgenoot] op dinsdag en donderdag altijd bij zijn ouders verbleef, dat zij soms samen boodschappen deden en dat [naam huisgenoot] die dan betaalde, dat appellante kookte en waste voor [naam huisgenoot], dat zij gezamenlijk familiebezoek aflegden en dat zij samen op vakantie gingen. De Raad ziet geen aanleiding om de juistheid van de afgelegde verklaringen, die grotendeels met elkaar overeenkomen en steun vinden in de overige onderzoeksbevindingen, in twijfel te trekken.

Het vorenstaande leidt de Raad, evenals de rechtbank en gedaagde, tot de conclusie dat appellante en [naam huisgenoot] ten tijde in geding beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante en tevens dat voldaan is aan het criterium van de wederzijdse verzorging, zodat sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Abw.

Appellante heeft, in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting, hiervan geen mededeling gedaan aan gedaagde. Als gevolg daarvan is aan haar over de periode in geding ten onrechte een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend. Gedaagde heeft de uitkering van appellante over die periode dan ook terecht op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw ingetrokken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde verplicht was over te gaan tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2000 tot 1 november 2001. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad evenmin gebleken. Met name de stelling van appellante dat gedaagde de binnengekomen tips ten onrechte niet in de gesprekken met haar heeft gememoreerd kan niet als een zodanige reden worden aangemerkt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2005.

(get.) R.M. van Male.

(get.) R.C. Visser.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x