Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT9771
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van bijzondere bijstand. Er zijn geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3832 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. S.E.M. Cantineau, verbonden aan Rechtshulp Noord te Assen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 juni 2004, reg.nr. 03/827 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 juni 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Cantineau en waar gedaagde zich - zoals tevoren bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 21 februari 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm van een alleenstaande. Het recht op bijstand is met ingang van 15 april 2002 ingetrokken in verband met detentie van appellant. Bij besluit van 26 juni 2002 heeft gedaagde aan appellant bijzondere bijstand toegekend voor de periode van 1 mei 2002 tot en met uiterlijk 30 april 2003 voor een bedrag per maand van € 230,34 voor de huur en van € 44,-- voor de energielasten verbonden aan de woning van appellant.
Bij besluit van 26 maart 2003 heeft gedaagde het recht op deze bijstand per 20 december 2002 ingetrokken wegens ontruiming van de woning van appellant op die datum. Tevens heeft gedaagde het over de periode van 20 december 2002 tot en met 28 februari 2003 aan bijzondere bijstand betaalde bedrag van € 654,87 van appellant teruggevorderd op grond van artikel 81, tweede lid, van de Abw.

Bij besluit van 4 juli 2003 heeft gedaagde het tegen het besluit van 26 maart 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder wijziging van de wettelijke grondslag van de terugvordering in artikel 81, eerste lid, van de Abw.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 4 juli 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, is in dit geding uitsluitend aan de orde de vraag of gedaagde terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Naar vaste rechtspraak kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

In de namens appellant aangevoerde omstandigheden ziet de Raad geen dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het moet gaan om omstandigheden die betrekking hebben op de gevolgen van de terugvordering zelf, terwijl hetgeen is aangevoerd in hoofdzaak ziet op de omstandigheden die tot de intrekking van het recht op bijzondere bijstand hebben geleid. Hoewel ten tijde in geding sprake was van een schuldenlast, levert dit op zichzelf evenmin een dringende reden op. De Raad wijst er in dat verband op dat bij terugvordering de aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de betrokkene blijft beschikken over de zogeheten beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Niet is gebleken dat gedaagde in dit geval anders heeft gehandeld.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2005.

(get.) C. van Viegen.

(get.) P.N. Rijnsewijn.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x