Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT9970
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit de exploitatie van een hondenkennel. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/5253 NABW en 03/5254 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant 1] en [appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], appellanten,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 september 2003, reg.nr. 03/0816 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 juni 2005, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Frerix, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M.F.K. Tempelman, werkzaam bij de gemeente Ede.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.

Naar aanleiding van het vermoeden van verzwegen inkomsten heeft de sociale recherche van de gemeente Ede onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte bijstand. In het kader van dit onderzoek zijn appellanten op 8 juli 2002 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 juli 2002.

Gedaagde is op grond van deze bevindingen tot de conclusie gekomen dat appellanten de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen mededeling te doen van de inkomsten uit de exploitatie van een hondenkennel genaamd [naam hondenkennel].

Bij afzonderlijke besluiten van 22 augustus 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellanten over de periode 4 augustus 1997 tot en met 30 juni 2002 herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van 26.927,-- van hen teruggevorderd.

Bij besluit van 5 maart 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen de besluiten van 22 augustus 2002 ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat de bij de herziening en terugvordering in aanmerking genomen inkomsten uit de hondenkennel, zijn gebaseerd op de door appellant [V.] (hierna: [V.]) tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring over opbrengsten en kosten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 maart 2003 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij hebben zij aangegeven dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is geweest. Gedaagde was op de hoogte van het feit dat zij honden hielden zodat zij geen noodzaak zagen daarvan nadere opgave te doen, te minder daar zij wegens de hoge kosten geld toelegden op hun hobby.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar het oordeel van de Raad blijkt uit het onderzoek van de sociale recherche, met name ook uit de tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring van [V.], dat het fokken en verkopen van rashonden op de geconstateerde schaal onmiskenbaar moet worden aangemerkt als op geld waardeerbare arbeid die van belang is voor de vaststelling van (de hoogte van) het recht op bijstand. Appellanten fokten verschillende nesten Schnauzers per jaar, adverteerden voor de verkoop van jonge honden op het internet en maakten reclame op de auto die zij gebruikten.

De Raad is dan ook met gedaagde van oordeel dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door aan gedaagde geen opgave te doen van de schaal waarop werd gefokt en de uit de verkoop van honden verkregen inkomsten. Dat gedaagde op de hoogte was van het feit dat appellanten enkele honden hielden, ontslaat hen niet van de verplichting van voornoemde economische activiteit precieze opgave te doen.

De Raad verwerpt de grief van appellanten dat gedaagde er ten onrechte vanuit is gegaan dat na aftrek van de kosten er nog sprake was van een netto-opbrengst van de kennel.

Gedaagde heeft zich voor de berekening van de inkomsten die appellanten uit de kennel hebben ontvangen gebaseerd op de door [V.] tegenover de sociale recherche terzake afgelegde verklaring. Uit het proces-verbaal van het verhoor van [V.] blijkt dat de verbalisanten samen met [V.] de opbrengsten en kosten van de kennel in kaart hebben gebracht. Naar vaste jurisprudentie van de Raad mag in het algemeen van de juistheid van een ondertekende, in een rapport van de sociale recherche opgenomen, verklaring worden uitgegaan. De gegevens die appellanten in de loop van de procedure terzake van de exploitatie van de kennel hebben overgelegd, geven de Raad onvoldoende aanknopingspunten om van dit uitgangspunt af te wijken.

Appellanten hebben bij het bezwaarschrift weliswaar een herberekening van de opbrengsten en kosten van de kennel overgelegd, maar de Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze reconstructie van kosten en opbrengsten zonder toereikende administratieve/boekhoudkundige gegevens onvoldoende verifieerbaar is om daaraan de door appellanten gewenste betekenis toe te kennen. De in hoger beroep nog overgelegde administratieve gegevens betreffen voorts in hoofdzaak de periode na afloop van de periode thans in geding, zodat de Raad deze gegevens in zoverre reeds deswege buiten beschouwing laat.

In het voorgaande ligt besloten dat gedaagde gehouden was met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw tot herziening van het recht op bijstand van appellanten over te gaan. Van dringende redenen om daarvan af te zien is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 4 augustus 1997 tot en met 30 juni 2002 over te gaan. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken, zodat gedaagde niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x