Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU0654
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten als uitzendkracht. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/2476 NABW en 03/2477 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 mei 2003, reg.nrs. 02/509 en 02/699 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 juli 2005, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door S.L. de Haart, werkzaam bij de gemeente Arnhem.




II. MOTIVERING


Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijn de feiten en omstandigheden.

Appellant ontving ten tijde hier in geding bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 6 november 1998 is hij in dienst getreden bij Lavold Uitzending B.V. (hierna: Lavold).

Bij besluit van 13 juni 2000 heeft gedaagde het recht op bijstand over de periode van 1 november 1998 tot 1 november 1999 herzien op de grond dat appellant de over dat tijdvak ontvangen inkomsten uit arbeid niet dan wel niet volledig aan gedaagde heeft gemeld. Voorts is besloten de over bedoelde periode gemaakte kosten van bijstand, tot een bedrag van f 13.342,67, met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw van appellant terug te vorderen.

Bij besluit van 15 januari 2002 (besluit I) heeft gedaagde het tegen het besluit van 13 juni 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en tevens bepaald dat appellant geen aanspraak kan maken op deeltijdpremie in het kader van de Verordening Stimuleringsregeling van de gemeente Arnhem.

Bij besluit van 31 januari 2001 heeft gedaagde appellant een boete van f 600,-- opgelegd. Dit besluit is gebaseerd op de grond dat appellant de op hem ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Bij besluit van eveneens 15 januari 2002 (besluit II) heeft gedaagde het tegen het besluit van 31 januari 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Met betrekking tot de hoogte van de boete heeft gedaagde overwogen dat aanleiding bestaat deze vast te stellen op 5% in plaats van op 10% van het fraudebedrag. Gedaagde heeft hierbij laten wegen dat hij op de hoogte was van de door appellant verrichte werkzaamheden, maar dat een en ander niet betekent dat appellant de inkomsten uit arbeid niet op de daarvoor bestemde formulieren hoefde op te geven.

Appellant heeft zowel tegen besluit I als tegen besluit II beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep tegen besluit I gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voorzover daarbij is bepaald dat appellant geen aanspraak heeft op deeltijdpremie. De rechtbank heeft in dat verband overwogen - samengevat - dat appellant over de periode van 1 november 1998 tot 1 november 1999, met uitzondering van de maand februari 1999, zijn informatieverplichting als bedoeld in artikel 65 van de Abw heeft geschonden. Over de maand december 1998 heeft appellant de door hem ontvangen inkomsten niet volledig opgegeven en over de overige in geding zijnde maanden heeft appellant zijn inkomsten in het geheel niet aan gedaagde gemeld. Gedaagde was derhalve gerechtigd het besluit waarbij de bijstand aan appellant was toegekend te herzien en de als gevolg daarvan te veel betaalde bijstand van hem terug te vorderen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat besluit I, voorzover daarbij is bepaald dat appellant geen aanspraak heeft op de deeltijdpremie, berust op een onjuiste uitleg van artikel 5 van de Verordening Stimuleringsregeling van de gemeente Arnhem.

Het beroep tegen besluit II heeft de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat appellant verwijtbaar heeft nagelaten aan gedaagde volledige informatie te verstrekken omtrent zijn inkomsten bij Lavold. Voorst is overwogen dat gedaagde bij de vaststelling van de hoogte van de boete in voldoende mate rekening heeft gehouden met de - ook naar het oordeel van de rechtbank - bij appellant bestaande verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 14a, tweede lid, van de Abw.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de uitspraak van de rechtbank voorzover hierbij het beroep tegen besluit II (het boetebesluit) ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellant is van opvatting dat er voldoende aanleiding bestaat wegens het ontbreken van verwijtbaarheid dan wel op grond van verminderde verwijtbaarheid geen boete op te leggen. Appellant heeft in dat verband allereerst aangevoerd dat tot april 1999 niet kan worden gesteld dat hij heeft nagelaten informatie te verschaffen. Appellant doelt hierbij op het feit dat gedaagde in april 1999 een heronderzoek heeft uitgevoerd en dat appellant er vanuit is gegaan dat gedaagde in verband met dit heronderzoek over de periode tot april 1999 van alle van belang zijnde gegevens op de hoogte was.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant, behoudens over de maand februari 1999, de op hem ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Over de maand november 1998 heeft appellant van zijn werkzaamheden en inkomsten geen mededeling gedaan op het hem toegezonden inlichtingenformulier. Over de maand december 1998 heeft appellant niet het juiste bedrag aan inkomsten op het daarvoor bestemde formulier vermeld en over de maanden januari en maart 1999 heeft gedaagde op de inlichtingenformulieren in het geheel geen inkomsten aangegeven. Ook is niet komen vast te staan dat appellant bij het heronderzoek in april 1999 deze ontbrekende informatie alsnog heeft gemeld. Over de maanden april 1999 tot november 1999 heeft appellant van zijn inkomsten evenmin mededeling gedaan.

Hiermee is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 14a, eerste lid, van de Abw. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat elke verwijtbaarheid ten aanzien van de hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting ontbreekt. De op de voor het opgeven van (onder meer) inkomsten bestemde formulieren vermelde vragen zijn helder en niet voor enig misverstand vatbaar. Appellant heeft over een aantal maanden wel inkomsten opgegeven. Uit dit gegeven vloeit voort dat appellant ermee bekend was dat de in artikel 65, eerste lid, van de Abw opgenomen inlichtingenverplichting ook inhoudt dat ontvangen verdiensten tijdig en volledig moeten worden opgegeven. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat deze gedraging heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand - zodat niet met een waarschuwing kon worden volstaan - was gedaagde verplicht een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Abw op te leggen.

Ingevolge artikel 2, eerste en tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (hierna: Boetebesluit) wordt de boete vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag en naar boven afgerond op een veelvoud van f 25,--.

Artikel 1, aanhef en onder q (vanaf 1 januari 2002: r), van het Boetebesluit omschrijft het benadelingsbedrag als het bruto bedrag dat ten onrechte als uitkering is verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Anders dan namens appellant ter zitting is betoogd dient de boete derhalve niet te worden berekend over de bruto uitkering verminderd met de door gedaagde bij besluit van 11 maart 2004 ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank inzake besluit I over de hier in geding zijnde periode alsnog toegekende deeltijdpremie.

Gedaagde heeft besloten een boete op te leggen van 5% in plaats van 10% van het benadelingsbedrag en de hoogte van die boete vastgesteld op f 600,-- ( 272,27).

Inmiddels is in de gemeente Arnhem in werking getreden de op artikel 18 van de Wet werk en bijstand (WWB) gebaseerde Maatregelverordening. Artikel 10 van die verordening en de artikelen 2 en 5 van het ter uitvoering hiervan gegeven Uitvoeringsbesluit Maatregelverordening gemeente Arnhem bepaalt dat voor gevallen als hier aan de orde afstemming plaats vindt door het verlagen van de bijstand gedurende een maand met 50% van de bijstandsnorm, waarbij wordt uitgegaan van de bijstandsnorm zoals die geldt in de kalendermaand volgende op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel is bekendgemaakt. Onder bijstandsnorm wordt verstaan de voor de belanghebbende geldende norm vermeerderd met de voor hem geldende verhoging als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder c, van de Wwb.

Overeenkomstig deze bepalingen zou voor appellant een standaardverlaging gelden van 50% van f 1.158,96 vermeerderd met de toeslag van f 463,58, derhalve een verlaging van f 811,27 ofwel 368,14. Ter zitting is namens gedaagde aangegeven dat ook in geval van toepassing van de Maatregelverordening gebruik zou zijn gemaakt van de in artikel 2, tweede lid, van die verordening neergelegde mogelijkheid om bij verminderde verwijtbaarheid de zwaarte van de maatregel daarop af te stemmen. In het geval van appellant zou dat volgens de gemachtigde van gedaagde leiden tot een halvering van de standaardverlaging. Dit komt neer op een verlaging van bijstand tot een bedrag van (afgerond) 184,--.

Op grond van artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) - de Raad verwijst in dit verband onder meer naar zijn uitspraak van 30 juni 2004, LJN AP6288 - dient de in het primaire besluit opgelegde boete dan ook te worden verlaagd tot 184,--.

De Raad ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd geen aanknopingspunten om te oordelen dat op grond van de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging appellant kan worden verweten en/of de omstandigheden waarin appellant verkeert op grond van artikel 14a, tweede lid, van de Abw de boete nog verder verlaagd zou moeten worden.

Ten slotte is de Raad niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekomt om van het opleggen van een boete af te zien.

Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak, voorzover deze ziet op Besluit II, dient te worden vernietigd. Het beroep tegen dit besluit moet gegrond worden verklaard en dat besluit moet wegens strijd met artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR worden vernietigd. De Raad zal, zelf in de zaak voorziend, bepalen dat aan appellant een boete van 184,-- wordt opgelegd.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 644,-- in beroep voor verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op 644,-- voor verleende rechtsbijstand en op 16,10 voor reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen besluit II ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep tegen besluit II gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat aan appellant een boete wordt opgelegd van 184,--, te betalen aan de gemeente Arnhem;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal 1.294,10, te betalen door de gemeente Arnhem aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Arnhem aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 116,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eeldrink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x