Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU0690
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening en terugvordering van de bijstand. Niet-verschoonbare overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/472 NABW




U I T S P R A A K




In het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M.P.M. Hogervorst, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 december 2003, reg.nr. 03/320 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 juli 2005, waar voor appellante mr. Hogervorst is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H.M. Pluymaeckers, werkzaam bij gedaagde.




II. MOTIVERING


Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Tussen partijen staat vast dat door gedaagde op 31 mei 2002 een besluit van 30 mei 2002 aan appellante is verzonden waarbij haar recht op bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 22 april 1998 is herzien en waarbij tevens een aantal bedragen wegens teveel door gedaagde ontvangen bijstand van haar wordt teruggevorderd.
Tevens staat tussen partijen vast dat door appellante eerst bij fax van 29 juli 2002 tegen dit besluit bezwaar is gemaakt, waarmee zij de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft overschreden.

Het bezwaar is door gedaagde bij besluit op bezwaar van 24 januari 2003 niet-ontvankelijk verklaard waarbij gedaagde heeft geoordeeld dat er geen gegronde redenen voor de te late indiening zijn aangevoerd, zodat redelijkerwijs moet worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 januari 2003 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Namens appellante is het standpunt ingenomen dat het besluit van 24 januari 2003 onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat gedaagde heeft nagelaten appellante - na haar terugkeer uit BraziliŽ op 17 juli 2002 en na indiening van het bezwaarschrift - in verband met de te late indiening van het bezwaarschrift aan een medisch onderzoek te onderwerpen. Gedaagde was immers al jaren op de hoogte van de labiele medische situatie van appellante.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Zoals in de aangevallen uitspraak is gesteld dient degene die voor langere tijd naar het buitenland vertrekt, een regeling te treffen met betrekking tot de behartiging van zijn belangen gedurende zijn afwezigheid. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het appellante wel degelijk mogelijk was gedurende haar afwezigheid iemand zorg te laten dragen voor haar belangen. Het nalaten hiervan en de daaruit voortvloeiende gevolgen komen dan ook geheel voor risico van appellante. Dat dit nalaten zou zijn terug te voeren op de omstandigheid dat zij rond het tijdstip van haar vertrek naar BraziliŽ ziek was en daartoe dan ook niet in staat was, is op geen enkele wijze onderbouwd. De Raad gaat hieraan dan ook voorbij. De Raad is bovendien van oordeel dat het op de weg van appellante lag om gedaagde van haar voorgenomen vertrek naar BraziliŽ in kennis te stellen, hetgeen niet is geschied.

De grief van appellante dat gedaagde bij terugkeer van appellante onzorgvuldig is geweest door haar niet aan een medisch onderzoek te onderwerpen, faalt naar het oordeel van de Raad. Vaststelling van de gezondheidssituatie van appellante op het tijdstip van haar terugkeer uit BraziliŽ draagt nergens toe bij, omdat op dat moment de termijn van zes weken, als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb, reeds was verstreken.

De Raad ziet dan ook met de rechtbank geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

Met inachtneming van het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x