Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU0700
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft advisering plaatsgevonden door de voltallige bezwaarschriftencommissie als bedoeld in artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb? De voorzitter heeft zich teruggetrokken om de schijn van vooringenomenheid te vermijden, één van de leden van commissie heeft tijdens het horen de voorzittersrol vervuld en na de hoorzitting zijn aan een derde de op de zaak betrekking hebbende stukken, het conceptverslag van de hoorzitting en het conceptadvies toegezonden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/2982 NABW



U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 april 2004, reg.nr. 03/539 ABW.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Bij brief van 8 februari 2005 heeft gedaagde voor de beantwoording van door de Raad gestelde vragen verwezen naar een bijgevoegde brief van de Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Leeuwarden van 3 februari 2005.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 mei 2005, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door J. Wiersma en gedaagde door H. Inia, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.




II. MOTIVERING


De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 10 december 1997 heeft gedaagde de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand in haar woonlasten afgewezen. Bij besluit van 22 april 1998 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 10 december 1997 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 22 april 1999 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 2 maart 1998 heeft gedaagde de aanvraag van appellante om een woonvoorziening in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten afgewezen. Bij besluit van 15 september 1998 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 1998 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van eveneens 22 april 1999 ongegrond verklaard.

Appellante heeft op of omstreeks 9 augustus 2002 gedaagde verzocht terug te komen van zijn besluiten van 22 april 1998 en 15 september 1998. Bij besluit van 5 december 2002 heeft gedaagde die verzoeken afgewezen.

Bij besluit van 2 april 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 5 december 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 april 2003 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten behoeve van het besluit op bezwaar heeft gedaagde de Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Leeuwarden - een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - verzocht advies uit te brengen. Voor de behandeling van een zaak is deze commissie samengesteld uit een voorzitter en twee leden. Niet in geschil is dat in dit geval het horen niet door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden. De voorzitter van de commissie heeft zich voor de behandeling van de zaak van appellante teruggetrokken om de schijn van vooringenomenheid te vermijden en een van de leden van commissie heeft tijdens het horen de voorzittersrol vervuld.

Tussen partijen is in geschil of in het onderhavige geval het adviseren heeft plaatsgevonden door de voltallige commissie. Uit het verslag van de hoorzitting van de commissie blijkt dat tijdens de hoorzitting is medegedeeld dat een derde commissielid zal worden aangezocht om mee te adviseren en dat op diens verzoek eventueel opnieuw een hoorzitting zal worden gehouden. Voorts is bij de brief van 7 februari 2005 door de commissie aangegeven dat na de hoorzitting een derde, met name genoemd commissielid is aangezocht en dat aan dit lid de op de zaak betrekking hebbende stukken, het concept-verslag van de hoorzitting en het concept-advies zijn toegezonden. Een en ander heeft uiteindelijk geresulteerd in een definitief advies (van 26 maart 2003), dat is ondertekend door degene die tijdens het horen de voorzittersrol heeft vervuld. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel dat het op grond van artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb voor de advisering vereiste derde lid van de commissie daadwerkelijk bij de advisering betrokken is geweest. Er is daarom geen grond om te oordelen dat gedaagde in strijd heeft gehandeld met artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Anders dan appellante stelt, staat daaraan niet in de weg dat gedaagde bij de stukken van de commissie geen concept-verslag van de hoorzitting en concept-advies heeft aangetroffen.

Appellante heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, voorts aangevoerd dat gedaagde had moeten terugkomen van de besluiten van 22 april 1998 en 15 september 1998 omdat de commissie die ten behoeve van die besluiten op bezwaar heeft geadviseerd niet juist was samengesteld en omdat gedaagde zijn besluitvorming destijds heeft gebaseerd op een op oneigenlijke wijze verkregen medisch advies. Hierin, noch anderszins in de voorhanden gegevens, heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen. Ook de Raad is van oordeel dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is, zodat niet kan worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot zijn besluit van 2 april 2003 heeft kunnen komen.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Nu het besluit van 2 april 2003 in stand blijft, zal de Raad voorts het door appellante reeds in eerste aanleg gedane verzoek om gedaagde te veroordelen tot schadevergoeding afwijzen.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2005.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x