Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU1445
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verkregen vermogen uit erfenis. Is er sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/6003 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 28 oktober 2003, reg.nr. 03/215 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 juli 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Volbeda, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Bethlehem, werkzaam bij de gemeente Emmen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 1 mei 1983 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Het recht op bijstand is met ingang van 1 augustus 2000 beëindigd.

[In] 1999 is de vader van appellant overleden. Het erfdeel van appellant bedroeg blijkens gegevens van de Belastingdienst Registratie en Successie netto f 37.120,--. Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien om bij besluit van 5 februari 2001 het recht op bijstand over de periode van 21 januari 1999 tot en met 31 juli 2000 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw te herzien (lees: in te trekken) en met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 26.063,-- van appellant terug te vorderen.

Bij besluit van 13 februari 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2001 ongegrond verklaard met dien verstande dat - met wijziging van het besluit van 5 februari 2001 in zoverre - aan de terugvordering artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw ten grondslag is gelegd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 februari 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft gehandhaafd al hetgeen door hem in eerste aanleg is aangevoerd. Voorts heeft hij aangevoerd dat artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw niet een juiste grondslag voor terugvordering vanaf 21 januari 1999 vormt aangezien hij eerst in september 2000 over zijn erfdeel kon beschikken. Ten slotte heeft appellant gesteld dat er dringende redenen aanwezig zijn op grond waarvan gedaagde van terugvordering had moeten afzien, gelet op de omstandigheid dat hij in september 2000 naar Spanje is vertrokken, daar op zijn vermogen is ingeteerd en tot 16 november 2002 geen aanspraak op bijstand heeft gemaakt.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Met betrekking tot de intrekking

In zijn aanvullend beroepschrift bij de rechtbank heeft de gemachtigde van appellant primair gesteld dat gedaagde het bezwaar tegen het besluit tot intrekking van het recht op bijstand gegrond had behoren te verklaren. De Raad stelt dienaangaande vast dat gedaagde bij het besluit van 13 februari 2003 de intrekking van het recht op bijstand heeft gehandhaafd en aan de terugvordering artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw ten grondslag heeft gelegd. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad biedt artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw echter een zelfstandige grond voor terug- vordering, zodat een voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit niet nodig is. De gemachtigde van gedaagde heeft ter zitting van de Raad desgevraagd erkend dat het besluit van 13 februari 2003 in zoverre onjuist is.

Het voorgaande leidt ertoe dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak en gegrondverklaring van het beroep - het besluit van 13 februari 2003 voorzover dat betrekking heeft op de intrekking van het recht op bijstand wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad ziet voorts aanleiding om om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 5 februari 2001 te herroepen voorzover dat betrekking heeft op de intrekking van het recht op bijstand.



Met betrekking tot de terugvordering

Ingevolge artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw worden kosten van bijstand van de belanghebbende teruggevorderd voorzover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.

Aan dit artikel ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, moeten worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de Abw.

Of het bijstandverlenend orgaan op basis van dit artikel dient over te gaan tot terugvordering hangt af van de vraag of de ontvangen middelen betrekking hebben op een periode waarover eerder bijstand is verleend en of de ontvangen middelen, teruggerekend naar het tijdstip waarop de aanspraken op die middelen ontstonden, tezamen met de toen aanwezige (overige) vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vrijlatingsgrens, de vermogensgrens als bedoeld in artikel 54 van de Abw overschrijden.

Vaststaat dat appellant aanspraak had op zijn erfdeel vanaf de datum van overlijden van zijn vader, te weten 21 januari 1999, en dat aan appellant over de periode vanaf 21 januari 1999 tot en met 31 juli 2000 bijstand is verleend. Voorts staat vast dat appellant in elk geval in september 2000 feitelijk de beschikking had over een bedrag van f 37.120,-- zodat er vanaf dat moment sprake is van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw. Deze middelen dienen als vermogen te worden beschouwd, zodat rekening dient te worden gehouden met hetgeen in hoofdstuk IV, afdeling 3, paragraaf 3, van de Abw omtrent het vermogen is bepaald.

Gedaagde heeft het vermogen vastgesteld op f 35.913,--, zijnde het bedrag van f 37.120,-- verminderd met het vastgestelde negatieve vermogen van f 1.207,--. Gelet op de in 1999 voor appellant geldende vermogensgrens van f 9.850,-- resulteert dit in het door gedaagde genoemde bedrag van f 26.063,--.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw gehouden was de kosten van bijstand over de periode van 21 januari 1999 tot 1 augustus 2000 tot een bedrag van f 26.063,-- van appellant terug te vorderen.

Met betrekking tot de grief dat gedaagde op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien overweegt de Raad dat dringende redenen slechts kunnen zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Van zodanige consequenties is de Raad in dit geval niet gebleken. De door appellant genoemde omstandigheden dat hij in september 2000 naar Spanje is vertrokken, daar op zijn vermogen is ingeteerd en tot 16 november 2002 geen aanspraak op bijstand heeft gemaakt, kunnen niet worden aangemerkt als consequenties van de terugvordering.



Met betrekking tot de proceskosten

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 13 februari 2003 voorzover dat betrekking heeft op de intrekking van het recht op bijstand;
Herroept het besluit van 5 februari 2001 voorzover dat betrekking heeft op de intrekking van het recht op bijstand;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Emmen;
Bepaalt dat de gemeente Emmen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 118,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x