Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU1533
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn de intrekking en terugvordering van de bijstand terecht? Zijn er toezeggingen gedaan dat niet tot terugvordering van de te veel verleende bijstand zal worden overgegaan?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/1543 NABW en 04/1544 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo, appellant,

en

[gedaagde 1] en [gedaagde 2], beiden wonende te [woonplaats], gedaagden.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 februari 2004, reg.nr. 03/498 NABW.

Namens gedaagden heeft mr. E.D. Breuning ten Cate, advocaat te Almelo, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft desgevraagd stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 juli 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door M. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Almelo, en waar gedaagden, met bericht, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende nog van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagden ontvingen ten tijde in dit geding van belang een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.
Op 18 april 2001 is een inwonende, werkende zoon van gedaagden 21 jaar geworden, waarvan gedaagden op het zogeheten rechtmatigheidsformulier over de maand april 2001 melding hebben gemaakt. Appellant heeft verzuimd om in verband daarmee de uitkering direct te verlagen.

Na een heronderzoek in april 2002 waarbij een en ander bleek, heeft appellant bij besluit van 1 augustus 2002 op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw het recht op uitkering van gedaagden met ingang van 18 april 2001 herzien en de uitkering met ingang van die datum met 10% verlaagd. Gedaagden hebben tegen dat besluit geen rechtsmiddel aangewend.

Bij besluit van 18 december 2002 heeft appellant de over de periode van 18 april 2001 tot en met 30 juni 2002 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van 2.013,61 van gedaagden teruggevorderd.

Bij besluit van 17 maart 2003, voorzover van belang, heeft appellant het tegen de terugvordering gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling omtrent het griffierecht en de proceskosten, het beroep tegen het besluit van 17 maart 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Zij heeft daartoe in die uitspraak, waarin appellant als verweerder en gedaagden als eisers zijn aangeduid, onder meer het volgende overwogen:
"4.2 De wettelijke plicht tot terugvordering van ten onrechte verleende bijstand is in de wet niet aan nadere voorwaarden onderworpen. Aan wie de onjuiste betaling te wijten is en of de ontvanger van de bijstand redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat onjuist is betaald, acht de wet niet van belang in gevallen als deze, waar sprake is van een voorafgaande herziening van de uitkering. Ook in het geval dat de ontvanger van de uitkering niets te verwijten valt, staat voorop dat hij wettelijk gezien geen recht heeft op het te veel betaalde. Hij dient niet te profiteren van de fout van de uitkeringsinstantie.

4.3 Toch kunnen zich situaties voordoen waarin terugvordering niet is toegestaan. In bijzondere omstandigheden kan een zodanige strijd bestaan met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dat de wettelijke plicht tot terugvordering moet wijken voor de plicht volgens deze beginselen te handelen. Hiervan zal niet snel sprake zijn. De wet staat immers voorop. De rechtbank onderscheidt in het geval van eisers verschillende situaties.

5. In de periode van 18 april 2001 tot 12 november 2001 hebben eisers voldaan aan hun informatieplicht. Zij hebben alle relevante gegevens van hun zoon vermeld op het inlichtingenformulier dat zij maandelijks bij verweerder hebben ingeleverd. Verweerder heeft vervolgens ten onrechte de uitkering van eisers niet verlaagd. Het enkele nalaten van verweerder kon bij eisers echter niet een zodanig vertrouwen wekken dat verweerder wegens strijd met het vertrouwensbeginsel van terugvordering moet afzien.
Bovendien is gebleken dat eiseres hebben vermoed dat hun uitkering mogelijk lager had moeten worden vastgesteld. Zij hebben de genoemde informatie immers op het inlichtingenformulier vermeld. Daarnaast hebben zij bij het eerstvolgende heronderzoek expliciet gevraagd of hun uitkering juist was vastgesteld.

6.1 Dit heronderzoek vond plaats op 12 november 2001. Eisers stellen dat op hun vragen een ambtenaar van de dienst sociale zaken heeft gezegd dat het voor hun uitkering geen gevolgen heeft dat hun oudste zoon 21 jaar is geworden. De uitkering zou pas wijzigen als ook de jongste zoon van eisers 21 jaar zou worden. Op de herhaalde vragen van eisers is deze ambtenaar weggegaan om dit nog eens na te vragen. Bij terugkomst vertelde hij dat zijn antwoord juist was. Aangezien verweerder deze gedetailleerde stellingen van eisers niet heeft kunnen weerleggen en zelfs niet gemotiveerd heeft kunnen betwisten, acht de rechtbank de stellingen aannemelijk.

6.2 Eisers mochten aan deze gang van zaken het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hun uitkering op dit punt geheel correct was en niet zou worden teruggevorderd. De rechtbank verwerpt het betoog van verweerder dat de ambtenaar in kwestie niet beslissingsbevoegd was en eisers daarom niet op diens uitspraken mochten afgaan. Eisers hebben immers in het gesprek van 12 november 2001 zekerheid verlangd over hun uitkering. Hun gesprekspartner van de gemeente heeft zich toen verwijderd en hij heeft bij terugkomst zonder voorbehoud zijn eerder antwoord gehandhaafd. Eisers mochten dan ook aannemen dat de betreffende ambtenaar in de tussentijd een bevoegde instantie had geraadpleegd.

6.3. Gebaseerd op dit gerechtvaardigd vertrouwen hebben eisers vervolgens hun uitkering in ontvangst genomen en besteed. De rechtbank acht het in deze omstandigheden onaanvaardbaar dat verweerder zijn wettelijke plicht tot terugvordering uitoefent."

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft met name betoogd dat niet is gebleken dat door een daartoe bevoegd zijnde ambtenaar toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan bij gedaagden de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat niet tot terugvordering van de te veel verleende bijstand zou worden overgegaan.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 81, eerste lid, van de Abw bepaalt imperatief dat bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde of vierde lid, van de Abw ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, van de belanghebbende wordt teruggevorderd.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het vertrouwensbeginsel dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijk bijzonder geval kan sprake zijn indien vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van een betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die bij die betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Met appellant is de Raad van oordeel dat een dergelijk bijzonder geval zich in het geval van gedaagden niet voordoet. Van toezeggingen als bedoeld die gedaagden omstreeks de datum van het inleveren van het rechtmatigheidsformulier van april 2001 zouden zijn gedaan, blijkt uit de gedingstukken niet, terwijl uit de stukken die appellant desgevraagd op 21 maart 2005 aan de Raad heeft gezonden, kan worden geconcludeerd dat er op 12 november 2001, anders dan gedaagden ter zitting van de rechtbank hebben verklaard, geen heronderzoek heeft plaatsgevonden.

De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat appellant niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering van gedaagden af te zien.

Gelet op het vorenoverwogene treft het hoger beroep doel. De aangevallen uitspraak dient, voorzover aangevochten, te worden vernietigd en het beroep tegen het besluit van 17 maart 2003, voorzover dat betrekking heeft op de terugvordering, dient ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 17 maart 2003, voorzover dat betrekking heeft op de terugvordering, ongegrond.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x