Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU1568
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Schending van de inlichtingenverplichting. Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een hoortoestel.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2129 NABW, 04/6464 NABW en 04/6466 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellant heeft mr. A.L.P. van Unnik, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 maart 2004, reg.nr. 03/2089 NABW. Appellant heeft voorts hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 oktober 2004, reg.nrs. 04/82 NABW en 04/386 NABW.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend en de Raad desgevraagd bij brief van 4 juli 2005 nadere informatie verstrekt.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 2 augustus 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Unnik en N. Husuvic, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.T.B. Jongenelen, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.




II. MOTIVERING


Het geding met reg.nr. 04/2129 NABW

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 1 juli 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.

In verband met een vermoeden dat appellant werkzaamheden verrichte zonder daarvan mededeling aan gedaagde te doen heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Werk, Zorg en Inkomen van de gemeente Eindhoven een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstandsuitkering. Naar aanleiding van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 15 januari 2003, heeft gedaagde bij besluit van 31 januari 2003 het recht op bijstand van appellant per 22 april 2002 onder verwijzing naar artikel 65, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, van de Abw ingetrokken.

Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 13 februari 2003 het recht op bijstand van appellant over de periode van 22 april 2002 tot en met 13 december 2002 met toepassing van onder meer artikel 69, derde lid, van de Abw herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over de periode van 22 april 2002 tot en met 30 november 2002 tot een bedrag van € 8.738,27 op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw teruggevorderd.

Naar aanleiding van de tegen de besluiten van 31 januari 2003 en 13 februari 2003 gemaakte bezwaren heeft gedaagde bij besluit van 10 juni 2003 de bijstandsuitkering van appellant, waarvan de betaling per 1 december 2002 was geblokkeerd, met ingang van die datum beëindigd. In hetzelfde besluit van 10 juni 2003 heeft gedaagde vervolgens de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 31 januari 2003 en 13 februari 2003, welke bezwaren geacht worden mede te zijn gericht tegen de beëindiging per 1 december 2002, ongegrond verklaard, onder wijziging van de einddatum van de periode waarover het recht op bijstand is ingetrokken in 30 november 2002. Gedaagde heeft hiertoe overwogen dat uit het rapport van de afdeling Bijzonder Onderzoek alsmede uit de verklaringen van de eigenaar van het bedrijf [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf]) in voldoende mate is komen vast te staan dat appellant aldaar werkzaamheden heeft verricht zonder daarvan opgave te doen. Daarnaast is volgens gedaagde uit de verklaringen van appellant gebleken dat hij over het kalenderjaar 2002 langer dan de voor hem gebruikelijke vakantieduur in het buitenland heeft verbleven. Appellant heeft hiervan evenmin opgave gedaan zodat hij ook in zoverre zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg van die schending kan naar het oordeel van gedaagde het recht op bijstand van appellant over de periode van 22 april 2002 tot en met 30 november 2002 en per 1 december 2002 niet worden vastgesteld.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak van 4 maart 2004 het beroep tegen het besluit van 10 juni 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst, ambtshalve, vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak haar beoordeling ten onrechte - en in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - heeft beperkt tot het intrekkings- en het terugvorderingsbesluit en niet tevens de rechtmatigheid van de beëindiging per 1 december 2002 heeft beoordeeld. De aangevallen uitspraak dient derhalve in zoverre te worden vernietigd.

De Raad is voorts, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de onderzoeksbevindingen zoals neergelegd in het rapport van 15 januari 2003, onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant over de gehele in geding zijnde periode werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten. De Raad overweegt hiertoe als volgt.

Vaststaat dat appellant over de periode van 22 april 2002 tot en met 26 april 2002 werkzaamheden bij [naam bedrijf] heeft verricht en daarmee een inkomen ten bedrage van € 217,20 heeft verworven. Appellant heeft van deze werkzaamheden geen melding gedaan op de door hem op 26 april 2002 ingevulde en ondertekende periodieke verklaring over de maand april 2002, terwijl daar in vraag 3 van die verklaring specifiek om wordt gevraagd. Pas op de periodieke verklaring over de maand mei 2002, die appellant op 30 mei 2002 heeft ingevuld en ondertekend, vermeldt appellant deze werkzaamheden en het bedrag aan inkomsten. Door eerst op 30 mei 2002 deze informatie te verstrekken is de Raad van oordeel dat appellant niet onverwijld heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw rustende inlichtingenverplichting.

Het rapport van 15 januari 2003 bevat naar het oordeel van de Raad echter in het geheel geen concrete gegevens die de conclusie rechtvaardigen dat appellant ook over de periode na 26 april 2002 daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht. Eerst op 24 september 2002 is blijkens een aantekening in voormeld rapport tijdens een privé bezoek van een medewerker van de Dienst Werk, Zorg en Inkomen van de gemeente Eindhoven aan [naam bedrijf] onder meer een man werkend aangetroffen die zou voldoen aan het signalement van appellant. Verdere gegevens over dit bezoek ontbreken echter geheel terwijl voorts onvoldoende is komen vast te staan dat appellant de bij [naam bedrijf] aangetroffen persoon is.

Uit de observaties, die op 8 oktober 2002 en vanaf 30 oktober 2002 bij het adres van appellant hebben plaatsgevonden is de Raad evenmin gebleken dat appellant werkzaamheden heeft verricht. Uit die observaties komt enkel naar voren dat vanaf dan wel nabij het adres van appellant ’s ochtends vroeg een auto met daarin een aantal personen richting Veldhoven is vertrokken. Het ging daarbij merendeels om een Peugeot 205 die niet aan appellant, maar aan zijn dochter toebehoort. Niet is vast komen te staan dat appellant in deze auto zat terwijl evenmin is komen vast te staan dat deze auto naar [naam bedrijf] reed. Dit is anders met betrekking tot 31 oktober 2001 nu uit de observatie op die dag is gebleken dat de Peugeot de oprit van [naam bedrijf] is ingereden. Het is evenwel bij deze constatering gebleven. Niet is vastgesteld dat appellant die dag in de Peugeot zat terwijl evenmin is geconstateerd dat appellant op die dag daadwerkelijk bij voormeld bedrijf heeft gewerkt.

Het voorgaande betekent dat, nu naar het oordeel van de Raad niet is gebleken dat appellant gedurende de periode van 27 april 2002 tot en met 30 november 2002 werkzaamheden heeft verricht, in zoverre geen sprake is van schending van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw vervatte inlichtingenverplichting. Zoals reeds is vastgesteld is die schending wel aanwezig met betrekking tot de periode van 22 april 2002 tot en met 26 april 2002, maar nu de hoogte van de inkomsten over deze periode bekend is kan niet gesteld worden dat als gevolg van die schending het recht op bijstand van appellant over de periode van 22 april 2002 tot en met 26 april 2002 niet kan worden vastgesteld.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Uit de verklaringen van appellant is gebleken dat hij over de maanden juli 2002 tot en met december 2002 veelvuldig in het buitenland heeft verbleven. Appellant heeft hiervan in strijd met de op hem ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw rustende inlichtingenverplichting destijds geen opgave aan gedaagde gedaan. Gedurende het onderzoek naar het recht op bijstand en nadien heeft appellant bij benadering aangegeven wanneer hij in het buitenland is geweest en voor hoe lang, doch naar het oordeel van de Raad heeft appellant dit niet aan de hand van verifieerbare gegevens aangetoond. Dit betekent dat, nu als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting ter zake van het verblijf in het buitenland niet duidelijk is gedurende welke periodes is voldaan aan het territorialiteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7, eerste lid, van de Abw, het recht op bijstand van appellant over de periode vanaf 1 juli 2002 niet (meer) kan worden vastgesteld. Gedaagde heeft naar het oordeel van de Raad derhalve de bijstandsuitkering van appellant over de periode van 1 juli 2002 tot en met 30 november 2002 terecht met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw ingetrokken en terecht de uitkering met ingang van 1 december 2002 beëindigd.

De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd is om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Met het hiervoor overwogene komt de grondslag te ontvallen aan de terugvordering over de periode van 22 april 2002 tot en met 30 juni 2002. Met betrekking tot de periode van 1 juli 2002 tot en met 30 november 2002 is wel voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw zodat gedaagde gehouden is om de ten onrechte verstrekte bijstand over deze periode van appellant terug te vorderen. De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd is om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Het voorgaande betekent dat het besluit van 10 juni 2003, voorzover dat ziet op de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 22 april 2002 tot en met 30 juni 2002 en op de terugvordering van de kosten van bijstand over deze periode wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient te worden vernietigd. De Raad zal dit besluit voorzover dat ziet op de terugvordering echter in zijn geheel vernietigen aangezien een terugvorderingsbesluit, dat een executoriale titel oplevert, als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand.

De rechtbank heeft een en ander niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 10 juni 2003, voorzover dat ziet op de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 22 april 2002 tot en met 30 juni 2002 en voorzover dat ziet op de terugvordering over de periode van 22 april 2002 tot en met 30 november 2002, vernietigen. Gedaagde zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met betrekking tot de intrekking over de periode van 22 april 2002 tot en met 30 juni 2002 en met betrekking tot de terugvordering over de periode van 22 april 2002 tot en met 30 november 2002. Gedaagde zal daarbij voorts een besluit dienen te nemen op het namens appellant in bezwaar gedane verzoek om vergoeding van de met dat bezwaarschrift verband houdende proceskosten.



Het geding met reg.nr. 04/6466 NABW

Bij besluit van 5 september 2003 heeft gedaagde appellant op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Abw en met toepassing van het Boetebesluit socialezekerheidswetten een boete opgelegd van € 880,--, zijnde 10% van het bruto benadelingsbedrag, afgerond op een veelvoud van € 11,--.
Bij besluit van 23 december 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 5 september 2003 met toepassing van het Besluit tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak van 15 oktober 2004, voorzover hier van belang, heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 23 december 2003 gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2003 vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag, en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten op de grond dat, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 4 maart 2004, reg.nr. 03/2089 NABW, als vaststaand moet worden aangenomen dat appellant de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geschonden.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vaststaat dat appellant niet onverwijld mededeling heeft gedaan van zijn werkzaamheden en inkomsten over de periode van 22 april 2002 tot en met 26 april 2002 en van zijn veelvuldig verblijf in het buitenland in de maanden juli 2002 tot en met december 2002. Daarmee heeft appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat bij appellant elke verwijtbaarheid ten aanzien van deze gedragingen ontbreekt. De omstandigheid dat appellant veelvuldig naar het buitenland is gegaan in verband met de ziekte en het overlijden van zijn moeder brengt de Raad niet tot een ander oordeel nu deze omstandigheid, hoe verdrietig ook, appellant niet ontslaat van zijn verplichting om bij gedaagde onverwijld opgave te doen van de perioden van zijn verblijf in het buitenland.

Gelet op artikel 14a, derde lid, van de Abw kan hier niet met een waarschuwing worden volstaan, zodat gedaagde verplicht is aan appellant een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Abw op te leggen.

Ingevolge het Boetebesluit socialezekerheidswetten dient gedaagde de hoogte van de boete - primair - te relateren aan de hoogte van het bruto bedrag van de bijstand die als gevolg van de hiervoor vastgestelde schending door appellant van de inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend. Gelet op hetgeen de Raad met betrekking tot het geding met reg.nr. 04/2129 NABW heeft overwogen staat thans echter niet vast welk bruto bedrag aan bijstand over de periode van 22 april 2002 tot en met 30 november 2002 ten onrechte aan appellant is verleend. Vervolgens zal nader door gedaagde moeten worden bezien of de door de raad van de gemeente Eindhoven vastgestelde Afstemmings- en fraudeverordening Wet werk en bijstand 2005 voor de hiervoor vastgestelde gedragingen van appellant al dan niet voorziet in een lagere sanctie dan die welke uit de toepassing van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten volgt.

De Raad kan zich, gelet op het voorgaande, niet verenigen met de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 december 2003 in stand te laten. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, gedaagde opdragen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 5 september 2003 te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Gedaagde zal daarbij tevens een nader besluit dienen te nemen op het namens appellant in bezwaar gedane verzoek om vergoeding van de met dat bezwaarschrift verband houdende proceskosten.



Het geding met reg.nr. 03/6464

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 10 maart 2003 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend in de kosten van een hoortoestel voor zijn zoon ten bedrage van € 539,82. Met deze aanvraag heeft appellant een nota van Engel Hoortoestellen van 10 januari 2003 overgelegd. Bij besluit van 18 augustus 2003 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 2 december 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 2003 ongegrond verklaard onder meer op de grond dat, gelet op het in artikel 67 van de Abw neergelegde uitgangspunt dat bijstand op aanvraag wordt toegekend, in beginsel geen bijstand kan worden verleend over een periode die voorafgaat aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van bijzondere omstandigheden om van dit uitgangspunt af te wijken is volgens gedaagde in het geval van appellant niet gebleken.

Bij de aangevallen uitspraak van 15 oktober 2004, voorzover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 december 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Abw stellen burgemeester en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van deze bepaling wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

Vaststaat dat appellant eerst op 10 maart 2003 de onderhavige aanvraag heeft ingediend. Ter verklaring van deze verlate aanvraag heeft appellant aangevoerd dat hij ten tijde van het ontstaan van de onderhavige kosten geen bijstandsuitkering ontving en in de periode voorafgaand aan de aanvraag in onzekerheid verkeerde over zijn recht op bijstand. De Raad is van oordeel dat hiermee geen sprake is van een bijzondere omstandigheid om van voormeld uitgangspunt af te wijken nu deze onzekerheid, wat daar verder van zij, er niet aan in de weg behoefde te staan om reeds ten tijde van het ontstaan van de kosten een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen.

In hetgeen overigens namens appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.



Slotoverwegingen

Het namens appellant gedane verzoek om veroordeling van schadevergoeding (wettelijke rente) in de onderhavige gedingen komt niet voor toewijzing in aanmerking nu geen sprake is van ten onrechte niet uitbetaalde uitkering.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep met betrekking tot het geding met reg.nr. 04/2129 NABW. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- wegens verleende rechtsbijstand en op € 21,20 wegens reiskosten. Met betrekking tot het geding met reg.nr. 04/6466 NABW worden te vergoeden kosten in hoger beroep begroot op € 644,--, eveneens wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

In het geding met reg.nr. 04/2129 NABW:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 juni 2003 gegrond;
Vernietigt het besluit van 10 juni 2003 voorzover dat ziet op de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 22 april 2002 tot en met 30 juni 2002 en voorzover dat ziet op de terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 22 april 2002 tot en met 30 november 2002;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.309,20,--, te betalen door de gemeente Eindhoven aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt.

In het geding met reg.nr. 04/6466 NABW:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 december 2003 in stand zijn gelaten;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Eindhoven aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 102,-- vergoedt.

In het geding met reg.nr. 04/6464 NABW:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x