Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU2427
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering aanvullende bijstand op de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens het ontbreken van voldoende informatie over het vermogen. Behoren de auto's waarvan de kentekens op betrokkenes naam staan tot haar vermogen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/6497 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante] wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. H.A.M.J. Loeffen, advocaat te Geldrop, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 20 november 2003, reg.nr. 03/2888 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 augustus 2005, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft zich op 23 september 2002 bij het Centrum voor werk en inkomen gemeld met een verzoek om bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, in aanvulling op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Bij besluit van 21 januari 2003 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van voldoende informatie over het vermogen om het recht op bijstand vast te kunnen stellen.

Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde nader onderzoek verricht naar het vermogen van appellante. Hierbij is gedaagde gebleken dat drie auto’s op naam van appellante geregistreerd hebben gestaan. Twee auto’s, een BMW met kenteken [keneteken 1] en een VW Golf met kenteken [kenteken 2], stonden tot 29 april 2002 op haar naam. De BMW had een nieuwwaarde van € 77.777,-- en evengenoemde VW Golf een dagwaarde van € 7.900,--. Een VW Golf met kenteken [kenteken 3] stond van 12 tot 16 december 2002 op haar naam. Deze auto had een dagwaarde van € 9.200,--.

Bij besluit van 15 juli 2003 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 21 januari 2003 onder wijziging van de motivering gehandhaafd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante ten tijde van de aanvraag beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen dat de voor haar van toepassing zijnde vermogensgrens van € 9.640,-- te boven ging. Volgens gedaagde vormden de drie genoemde auto’s een bestanddeel van het vermogen van appellante omdat deze auto’s op haar naam stonden geregistreerd. Weliswaar stonden twee auto’s ten tijde van de aanvraag niet meer op haar naam, maar volgens gedaagde wordt appellante geacht te beschikken over de gelden die vrijgekomen zijn uit de verkoop van die auto’s.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voorzover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 15 juli 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in zoverre in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens appellante kunnen de auto’s niet tot haar vermogen worden gerekend. De BMW en VW Golf [kenteken 2] die tot 29 april 2002 op haar naam stonden, waren eigendom van haar broer [broer]. Zij heeft de auto’s voor deze broer op haar naam laten zetten omdat de verzekeringspremie voor haar broer veel hoger zou zijn vanwege zijn strafrechtelijk verleden en appellante een hoge no-claimkorting kon krijgen. De BMW werd overigens op 12 juli 2002 bij deze broer op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering in beslag genomen. De VW Golf [kenteken 3] die van 12 tot 16 december 2002 op naam van appellante stond, is volgens haar eigendom van een andere broer, I. Yesilyurt. Vanwege een belastingschuld van deze broer, waardoor deze vreesde voor inbeslagname van de auto, werd de auto aanvankelijk op haar naam gezet. Na enkele dagen heeft de broer de auto op zijn naam laten zetten.


De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel van diens vermogen vormt waarover hij daadwerkelijk de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In zijn uitspraak van 21 april 2005, LJN AT4358, heeft de Raad hierbij aangetekend dat deze regel slechts van toepassing is tot de op het zogenoemde vrijwaringsbewijs vermelde datum in geval van overdracht van de auto.

Vaststaat dat de BMW [keneteken 1] en VW Golf [kenteken 2] vanaf 29 april 2002 niet langer op naam van appellante stonden geregistreerd. Appellante heeft met betrekking tot deze auto’s vrijwaringsbewijzen overgelegd, waarin onder transactiegegevens de datum 29 april 2002 is vermeld. Dat betekent dat er geen grond is voor de vooronderstelling dat beide auto’s ten tijde van de melding op 23 september 2002 tot het vermogen van appellante konden worden gerekend. Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat appellante na 29 april 2002 nog de beschikking had over deze auto’s. Daar komt bij dat de BMW op 12 juli 2002 in beslag was genomen. Het standpunt van gedaagde dat er sprake is van verkoop van deze auto’s waarbij appellante geacht wordt zodanige gelden te hebben ontvangen dat zij over teveel vermogen beschikt, wordt door de Raad niet gevolgd. Er is geen enkele aanwijzing dat ter zake betalingen aan appellante zijn gedaan.

Met betrekking tot de VW Golf VW [kenteken 3] stelt de Raad vast dat deze slechts van 12 tot 16 december 2002 op naam van appellante geregistreerd heeft gestaan en derhalve niet in beschouwing kan worden genomen bij de beoordeling van het in aanmerking te nemen vermogen op 23 september 2002.

Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 15 juli 2003 in rechte geen stand kan houden. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt, voorzover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de voorzieningenrechter van de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 15 juli 2003 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen en gedaagde opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 15 juli 2003;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Eindhoven aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 118,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x