Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU3070
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging van de bijstandsuitkering wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting waardoor het niet mogelijk is om te kunnen vaststellen of betrokkene recht heeft op bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/6010 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 oktober 2003, reg.nr. 03/903 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 augustus 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Offermans, en waar gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 juli 2000 een gedeeltelijk ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), aangevuld met een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een brief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 januari 2003, waarin werd medegedeeld dat de afgelopen jaren veel Somalische personen, en met name vrouwen en kinderen, naar Engeland emigreerden, is door de afdeling Handhaving van gedaagde een project is gestart met als doel een onderzoek in te stellen naar het verblijfadres van Somalische uitkeringsgerechtigden. In dit kader is een nader onderzoek ingesteld naar de feitelijke woonsituatie van appellante. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 april 2003. Gedaagde heeft daarop bij besluit van 9 mei 2003 het recht op bijstand van appellante met ingang van 3 april 2003 beŽindigd.

Bij besluit van 8 juli 2003 heeft gedaagde het daartegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 juli 2003 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat - naar vaste rechtspraak - de vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de vaststelling van (de omvang van) het recht op bijstand en de voortzetting daarvan.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de inhoud van de rapportage van 3 april 2003, in samenhang met de overige gedingstukken, een toereikende grondslag biedt voor de conclusie dat appellante, anders dan zij aan gedaagde heeft opgegeven, ten tijde in geding niet daadwerkelijk woonachtig was op het adres [adres] te [woonplaats].

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Hij voegt daar nog aan toe dat appellante bij geen van de drie afgelegde huisbezoeken op het door haar opgegeven woonadres is aangetroffen en dat aan het feit dat appellante in de buurt van dat adres geld opneemt geen doorslaggevende betekenis toekomt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellante ten tijde in geding onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent het adres waar zij in hoofdzaak feitelijk verblijf heeft gehouden en daarmee de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren is nagekomen. Gedaagde heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate appellante ten tijde in geding in omstandigheden verkeerde als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw. Gedaagde heeft dan ook terecht het recht op bijstand van appellante met ingang van 3 april 2003 beŽindigd.

Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 september 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x