Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU3208
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de bijstand en afwijzing van de nieuwe bijstandsaanvraag wegens vermogen boven de vermogensgrens. Is de juiste vermogensgrens gehanteerd? Dient de schade-uitkering wegens immateriële schade voortvloeiende uit een verkeersongeval te worden meegerekend?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/1980 NABW en 04/2661 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft A.M. Nitert hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 maart 2004, reg.nr. 03/493 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 augustus 2005, waar appellante en haar gemachtigde - met voorafgaande kennisgeving - niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Almelo.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 17 december 2001 heeft gedaagde appellante met ingang van 11 september 2001 een uitkering toegekend op grond van de Algemene Bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 23 januari 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand met ingang van 11 september 2001 weer ingetrokken op de grond dat appellante beschikt over een vermogen boven de in aanmerking te nemen vermogensgrens. Tegen deze intrekking heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

Op 8 april 2002 heeft appellante opnieuw bijstaand aangevraagd voor de kosten van levensonderhoud alsmede voor woonkosten. Bij besluit van 4 december 2002 respectievelijk 7 januari 2003 heeft gedaagde deze aanvragen afgewezen. Hierbij heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat het op 8 april 2002 voor appellante beschikbare vermogen aan bijstandsverlening in de weg staat.

Bij besluit van 13 mei 2003 heeft gedaagde, voorzover in dit geding van belang, de bezwaren tegen de besluiten van 4 december 2002 en 7 januari 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent griffierecht - het beroep van appellante tegen het besluit van 13 mei 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank overwogen, voorzover hier van belang, dat gedaagde bij de vaststelling van het vermogen van appellante op 8 april 2002 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het vrij te laten deel van het vermogen en tevens een onjuiste vermogensgrens heeft gehanteerd.

Appellante heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak aangevoerd dat het recht op bijstand met ingang van 11 september 2001 beoordeeld dient te worden, althans met ingang van een datum gelegen vóór 8 april 2002. Tevens kan appellante zich niet verenigen met de gedeeltelijk bij de vermogensvaststelling in aanmerking genomen schade-uitkering. Tot slot heeft appellante verzocht om gedaagde te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde bij besluit van 15 maart 2004 opnieuw op de bezwaren tegen de besluiten van 4 december 2002 en 7 januari 2003 beslist. Op grond van een nieuwe berekening van het vermogen van appellante op 8 april 2002 heeft gedaagde hierbij de bezwaren (wederom) ongegrond verklaard.

De Raad overweegt allereerst met betrekking tot het besluit van 15 maart 2004 dat dit besluit op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht bij zijn beoordeling dient te worden betrokken.

Vervolgens oordeelt de Raad dat, nu het besluit van 15 maart 2004 geheel in de plaats is getreden van het in hoger beroep nog in geding zijnde gedeelte van het besluit van 13 mei 2003, het hoger beroep wegens het vervallen van procesbelang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Een en ander betekent dat thans nog uitsluitend het besluit van 15 maart 2004 in geding is. In dit verband komt de Raad tot de volgende beoordeling.

De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat gedaagde ten onrechte het recht op bijstand heeft beoordeeld met ingang van 8 april 2002. Hierbij wijst de Raad op het - in rechte onaantastbare - intrekkingsbesluit en op het door appellante op 8 april 2002 ondertekende aanvraagformulier waarop zij expliciet heeft aangegeven dat niet wordt verzocht de bijstand eerder dan op 8 april 2002 te laten ingaan.

De Raad neemt vervolgens als vaststaand aan dat appellante op 3 december 2001 een schade-uitkering van f 50.000,-- (€ 22.689,01) heeft ontvangen in verband met een aanrijding in 1995 en dat gedaagde dit bedrag geheel als immateriële schadevergoeding heeft aangemerkt. Tevens staat vast dat aan appellante op 21 december 2001 in verband met een boedelscheiding een bedrag van f 45.458,19 (€ 20.628,03) is uitgekeerd. Tot slot is onweersproken dat het vermogen van appellante op 8 april 2002 € 19.631,-- bedroeg. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde geen rechtsregel geschonden door aan te nemen dat appellante vanaf december 2001 gelijkelijk heeft ingeteerd op de schade-uitkering en het in het kader van de boedelscheiding aan haar toebedeelde bedrag en dat van het totale vermogen van appellante in december 2001.

Met betrekking tot de vraag of gedaagde terecht 1/3 deel van de schade-uitkering bij de vermogensvaststelling op 8 april 2002 buiten beschouwing heeft gelaten, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat gedaagde hiermee in strijd heeft gehandeld met artikel 52, aanhef en onder e, van de Abw. Op grond van deze bepaling wordt een uitkering in verband met geleden immateriële schade niet als vermogen in aanmerking genomen voorzover dit vanuit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Gelet op het karakter van de Abw als laatste bestaansvoorziening kan de Raad zich niet verenigen met het standpunt van appellante dat de gehele schade-uitkering bij de vaststelling van haar vermogen buiten beschouwing moet worden gelaten.

Vervolgens komt de Raad toe aan de vraag of gedaagde, bij de vaststelling van het vermogen van appellante op 8 april 2002 terecht een bedrag van € 3.338,-- buiten beschouwing heeft gelaten. De Raad begrijpt de berekening, die heeft geresulteerd in voornoemd bedrag, aldus dat gedaagde het vrij te laten gedeelte van de schade-uitkering eerst heeft uitgedrukt in een percentage van het totale vermogen van appellante in december 2002. Vervolgens heeft gedaagde het vrij te laten bedrag gesteld op het aldus vastgestelde percentage van het op 8 april 2002 aanwezige vermogen. De Raad ziet geen grond om deze berekeningswijze voor onjuist te houden.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad tot de slotsom dat gedaagde terecht op het op 8 april 2002 vastgestelde vermogen van € 19.631,-- eerst in mindering heeft gebracht een bedrag van € 3.338,-- en vervolgens een bedrag van € 9.640,--, zijnde de voor appellante geldende vermogensgrens ingevolge artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw. Aldus resteert een in aanmerking te nemen vermogen van € 6.653,-- . Nu dit bedrag een beletsel vormt voor bijstandsverlening heeft gedaagde de aanvraag van appellante om bijstand ingaande 8 april 2002 terecht geweigerd.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep tegen het besluit van 15 maart 2004 ongegrond moet worden verklaard en het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 maart 2004 ongegrond;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 september 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x