Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU3209
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand in verband met vakantie langer dan de toegestane gebruikelijke vakantieduur. Is er sprake van een (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2781 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 april 2004, reg.nr. SBR 03/991.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 augustus 2005, waar appellante, zoals tevoren bericht, niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren, werkzaam bij de gemeente Utrecht.




II. MOTIVERING


Appellante ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
In de periode van 30 december 2001 tot en met 19 januari 2002 heeft appellante haar vakantie in het buitenland doorgebracht. Vervolgens is appellante ook in de periode van 22 juli 2002 tot en met 23 september 2002 met vakantie in het buitenland geweest. Na haar terugkeer in Nederland heeft zij zich op 24 september 2002 weer bij gedaagde gemeld.

Naar aanleiding van de laatstgenoemde vakantieperiode heeft gedaagde bij besluit van 25 september 2002 meegedeeld aan appellante dat zij van 31 juli 2002 tot 23 september 2002 geen recht heeft op bijstand, omdat zij vanaf 31 juli 2002 langer dan de gebruikelijke vakantieduur, in het geval van appellante vier weken op jaarbasis, buiten Nederland verblijf had gehouden. Appellante heeft in dit besluit berust.

Bij besluit van 8 oktober 2002 heeft gedaagde op dezelfde grond het recht op bijstand van appellante gedurende de periode van 31 juli 2002 tot en met 23 september 2002 herzien lees: ingetrokken en de over die periode ten onrechte betaalde kosten van bijstand ten bedrage van € 433,07 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 4 maart 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 8 oktober 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 maart 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen dat de in het besluit van 8 oktober 2002 vervatte intrekking van het recht op bijstand over de periode van 31 juli 2002 tot en met 23 september 2002 dient te worden aangemerkt als een herhaling van het eerdere besluit van 25 september 2002. De rechtbank heeft hieraan de conclusie verbonden dat het besluit van 8 oktober 2002, voorzover het ziet op die intrekking, geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat hiertegen in zoverre dus geen rechtsmiddel in de zin van de Awb open staat. In aanmerking nemende dat appellante heeft berust in het besluit van 25 september 2002, zodat dit in rechte onaantastbaar is geworden, heeft de rechtbank geen ruimte aanwezig geacht om de in het besluit van 4 maart 2003 vervatte intrekking van het recht op bijstand te beoordelen. Met de daarin mede vervatte terugvordering van ten onrechte betaalde kosten van bijstand over genoemde periode heeft de rechtbank zich geheel kunnen verenigen.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst vast dat hij het besluit van 8 oktober 2002, mede voorzover dit ziet op de intrekking van het recht op bijstand - anders dan de rechtbank - aanmerkt als een nieuw, volwaardig primair besluit, waartegen het rechtsmiddel van bezwaar openstond.
Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat het besluit van 8 oktober 2002, gelet op de daarin gehanteerde formulering en het aangeduide wetsartikel(onderdeel), te weten artikel 69, derde lid, van de Abw, onmiskenbaar als een besluit tot herziening/intrekking van het recht op bijstand valt aan te merken en dat dit ten aanzien van het besluit van 25 september 2002 niet het geval is. De enkele aanduiding in laatstgenoemd besluit dat appellante van 31 juli 2002 tot 23 september 2002 geen recht heeft op bijstand, kan de Raad in dit geval niet aanmerken als een herziening/intrekking van het recht op bijstand. Bovendien ziet het besluit van 8 oktober 2002 op een langere periode dan genoemd in het eerdere besluit, namelijk de periode van 31 juli 2002 tot en met 23 september 2002.

De Raad stelt vervolgens vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte en in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb geen oordeel heeft gegeven omtrent de intrekking van het recht op bijstand en zich heeft beperkt tot de terugvordering van de kosten van bijstand. De aangevallen uitspraak komt reeds daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De Raad stelt voorts vast dat ook het besluit van 4 maart 2003 voor vernietiging in aanmerking komt, nu daarin niet is beslist op het bezwaar van appellante met betrekking tot de intrekking van het recht op bijstand.

Met betrekking tot de vraag of de rechtsgevolgen van het besluit van 4 maart 2003, voorzover betrekking hebbende op de intrekking van het recht op bijstand, in stand kunnen blijven, overweegt de Raad het volgende.

Op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid en onder d, van de Abw, in samenhang met artikel 1 van de op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw gebaseerde Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw gold ten aanzien van appellante, die ten tijde van belang nog geen 57,5 jaar oud was, dat zij maximaal vier weken per jaar in het buitenland mocht verblijven met behoud van haar bijstandsuitkering. Aangezien niet betwist is dat die periode op 31 juli 2002 was verstreken, volgt hieruit dat appellante vanaf 31 juli 2002 in principe geen recht meer had op bijstand. Aangezien voorts niet is gebleken van het bestaan van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Abw, kwam gedaagde naar het oordeel van de Raad niet de bevoegdheid toe de bijstand aan appellante ook nog van 31 juli 2002 tot en met 23 september 2002 voort te zetten.

Nu appellante niettemin ook over die periode bijstand is verstrekt, was gedaagde gehouden op grond van artikel 69, derde lid, en onder b van de Abw het recht op bijstand over genoemde periode in te trekken. De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Het beroep van appellante op strijd met het gelijkheidsbeginsel (wegens ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie) verwerpt de Raad, aangezien appellante gedurende de periode van 31 juli 2002 tot en met 23 september 2002 slechts was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen genoemd in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Abw en dus niet in vergelijkbare omstandigheden verkeerde als degenen die vσσr 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar hebben bereikt en die zijn vrijgesteld van alle verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 16 november 2004, LJN AR6073.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 4 maart 2003, voorzover hierin niet is beslist over de intrekking van het recht op bijstand, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand dienen te worden gelaten.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering over te gaan van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 31 juli 2002 tot en met 23 september 2002.

De Raad ziet in de omstandigheden van appellante geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij niet is beslist omtrent de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 31 juli 2002 tot en met 23 september 2002;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond;
Vernietigt het besluit van 4 maart 2003 in zoverre;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 september 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x