Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU4228
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit arbeid als escortdame. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/2703 NABW, 04/2772 NABW en 04/4082 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: het College) heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 april 2004, reg.nr. 03/389 NABW.

Namens [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, eveneens hoger beroep ingesteld tegen bovengenoemde uitspraak.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 30 augustus 2005, waar [betrokkene] niet is verschenen, en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Jalving en T. van der Veen, beiden werkzaam bij de gemeente Groningen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

[Betrokkene] ontving sedert 3 januari 2001 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Naar aanleiding van het vermoeden dat [betrokkene] inkomsten uit prostitutie ontving heeft de sociale recherche van de gemeente Groningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [betrokkene] verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn waarnemingen verricht, is het telefoonverkeer van [betrokkene] onderzocht, zijn getuigen gehoord en heeft [betrokkene] een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 november 2002.

Het College is op grond van de onderzoeksresultaten tot de conclusie gekomen dat [betrokkene] de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van door haar verrichte werkzaamheden in de escortservice en van de daarmee verworven inkomsten.

Bij besluit van 14 november 2002 heeft het College met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op bijstand van [betrokkene] met ingang van 1 (lees: 3) januari 2001 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 3 januari 2001 tot en met 31 augustus 2002 tot een bedrag van Ä 22.026,39 met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw van [betrokkene] teruggevorderd.

Bij brief van 19 november 2002 heeft het College [betrokkene] meegedeeld dat het recht op bijstand van [betrokkene] met ingang van 1 september 2002 wordt beŽindigd.

Bij besluit van 1 april 2003 heeft het College - voorzover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2002 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College aangegeven dat het recht op bijstand niet is vast te stellen en wordt ingetrokken met ingang van 3 januari 2001. In datzelfde besluit heeft het College het bezwaar tegen de brief van 19 november 2002 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat deze brief niet op rechtsgevolg is gericht, omdat het recht op bijstand reeds bij besluit van 14 november 2002 vanaf 1 (lees: 3) januari 2001 was ingetrokken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voorzover hier van belang en met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 1 april 2003, voorzover het de intrekking en terugvordering over de periode van 3 januari 2001 tot en met 31 augustus 2002 betreft, gegrond verklaard, bepaald dat het College in zoverre met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar neemt en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat [betrokkene] vanaf 19 maart 2002 (de eerste datum die voorkomt in de lijsten met geregistreerde telefoongesprekken) werkzaamheden verrichtte als escortdame en daaruit inkomsten genoot. Het recht op bijstand van [betrokkene] kan derhalve vanaf 1 maart 2002 niet worden vastgesteld. Het standpunt van het College dat [betrokkene] ook in de gehele periode van 3 januari 2001 tot 1 maart 2002 haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en werkzaamheden heeft verricht berust op onvoldoende feitelijke grondslag. Het College had aan de waarneming op 19 oktober 2001, waarbij het niet onaannemelijk is dat het inderdaad gaat om een escortbezoek, slechts consequenties kunnen verbinden voor het recht op bijstand over de maand oktober 2001.

Het College en [betrokkene] hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Het College kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het besluit tot intrekking en terugvordering voorzover het de perioden van 3 januari 2001 tot en met 30 september 2001 en van 1 november 2001 tot 1 maart 2002 betreft op onvoldoende feitelijke grondslag berust. Nu volgens het College is aangetoond dat [betrokkene] op verschillende momenten in de periode van 3 januari 2001 tot en met 31 augustus 2002 haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en zij daarover geen openheid van zaken heeft gegeven, is het recht op bijstand over deze gehele periode niet vast te stellen.

[Betrokkene] is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het recht op bijstand over oktober 2001 en de periode van 1 maart 2002 tot en met 31 augustus 2002 niet is vast te stellen. [betrokkene] betwist dat zij over de periode vanaf 19 maart 2002 werkzaamheden heeft verricht als escortdame. Voorts is [betrokkene] van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het besluit van 1 april 2003, voorzover het de beŽindigingsbeslissing van 19 november 2002 betreft, ongegrond heeft verklaard. De brief inzake beŽindiging van het recht op bijstand van 19 november 2002 was volgens [betrokkene] wel degelijk op enig rechtsgevolg gericht.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij besluit van 13 juli 2004 - voorzover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2002 gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit herroepen en bepaald dat met toepassing van artikel 69, lid 3, aanhef en onder a, van de Abw het recht op bijstand van [betrokkene] over oktober 2001 en de maanden maart 2002 tot en met augustus 2002 wordt ingetrokken en de over deze maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van Ä 7.956,26 met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw van [betrokkene] wordt teruggevorderd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Vooraf

De Raad stelt allereerst vast dat het besluit van 13 juli 2004, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij de beoordeling dient te worden betrokken, aangezien met dat besluit aan de bezwaren van [betrokkene] niet geheel tegemoet is gekomen.



De intrekking en de terugvordering over de perioden van 3 januari 2001 tot en met september 2001 en van 1 november 2001 tot 1 maart 2002

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksresultaten van de sociale recherche onvoldoende feitelijke grondslag bieden om aan te nemen dat [betrokkene] in de hier aan de orde zijnde perioden werkzaamheden heeft verricht als escortdame en daaruit inkomsten heeft verworven. De verklaring van [persoon] van 23 augustus 2002 tegenover de sociale recherche is te weinig specifiek om aan te kunnen nemen dat [betrokkene] ook in deze perioden werkzaamheden als escortdame heeft verricht. Aan de verklaring van [ex-vriend], de ex-vriend van [betrokkene], tegenover de politie dat hij een vriendin had die in de escortservice werkzaam was, kan evenmin het gewicht toekomen dat het College eraan wil toekennen. In deze verklaring wordt geen naam van de vriendin genoemd, noch nader geduid in welke periode deze vriendin zou hebben gewerkt. Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat, anders dan het College heeft gesteld, [betrokkene] een verklaring heeft gegeven over de wijze waarop zij in de periode van september 2000 tot januari 2001 in haar levensonderhoud heeft voorzien.

De grief van het College dat sprake zou zijn van doorlopende werkzaamheden, kan gelet op het ontbreken van ander relevant bewijsmateriaal over de periode van 3 januari 2001 tot 1 oktober 2001 en van 1 november 2001 tot 1 maart 2002, naar het oordeel van de Raad niet slagen.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit tot intrekking en terugvordering over deze perioden een toereikende grondslag ontbeert.



De intrekking en de terugvordering over oktober 2001 en de maanden maart 2002 tot en met augustus 2002

De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen wel voldoende steun bieden voor het standpunt van het College dat [betrokkene] in oktober 2001 en in de maanden maart 2002 tot en met augustus 2002 als escortdame heeft gewerkt en dat, nu van deze werkzaamheden en de inkomsten daaruit geen mededeling is gedaan, het recht op bijstand over die maanden niet is vast te stellen. De Raad hecht daarbij in het bijzonder betekenis aan de waarneming op 19 oktober 2001 en de verklaring van [persoon] dat hij [betrokkene] in oktober 2001 in verband met escortwerkzaamheden heeft gebracht naar en gehaald van een adres in Leek. Voorts kent de Raad betekenis toe aan het feit dat [betrokkene] in de periode van 19 maart 2002 tot en met 26 augustus 2002 vele (kortdurende) telefoongesprekken met haar mobiele telefoon met escortbureaus heeft gevoerd. Daarbij zijn het tijdstip, de frequentie, de duur, alsmede de locatie waar de gesprekken werden gevoerd, van belang. Hetgeen namens [betrokkene] is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over oktober 2001 en de maanden maart 2002 tot en met augustus 2002 niet kan worden vastgesteld.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het College terecht met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op bijstand van [betrokkene] over oktober 2001 en de maanden maart 2002 tot en met augustus 2002 heeft ingetrokken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan het College bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de zojuist genoemde maanden op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan het College bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.



De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de brief van 19 november 2002

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief van 19 november 2002 niet gericht is op enig rechtsgevolg. Met het besluit van 14 november 2002 heeft het College het besluit tot toekenning van het recht op bijstand van [betrokkene] ingetrokken, hetgeen met zich meebrengt dat [betrokkene] op 19 november 2002 geen recht op bijstand had. De brief van 19 november 2002 kan dan ook niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat bij de aangevallen uitspraak het beroep van [betrokkene] tegen deze niet-ontvankelijkverklaring terecht ongegrond is verklaard.



Slotoverwegingen

Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking voorzover deze is aangevochten.

Het beroep van [betrokkene], dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 13 juli 2004 dient ongegrond te worden verklaard.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juli 2004 ongegrond;
Bepaalt dat van de gemeente Groningen een recht van Ä 414,-- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x