Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU4516
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de ingangsdatum van de bijstandsuitkering juist vastgesteld? Er worden geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht om de bijstand eerder in te laten gaan dan op de datum van eerste melding bij het CWI.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/4003 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M.G. Beelaerts van Blokland, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank s-Gravenhage van 21 juni 2004, reg.nr. 03/3274 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 september 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaerts van Blokland, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M. Schuurman, werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 13 november 2001 heeft appellante bij gedaagde een aanvraag om uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. Bij besluit van 6 december 2001 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat appellante in gebreke bleef aanvullende gegevens te verstrekken. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

Op 24 juli 2002 heeft appellante zich gemeld bij de lokale vestiging van de Centrale organisatie werk en inkomen (het CWI) en opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 7 oktober 2002 heeft gedaagde aan appellante algemene bijstand toegekend met ingang van 24 juli 2002. Daarbij heeft gedaagde geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht om de bijstand eerder in te laten gaan dan op de datum van eerste melding bij het CWI.

Bij besluit van 7 juli 2003 heeft gedaagde het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 7 juli 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - voorzover van belang - overwogen dat artikel 68a van de Abw geen ruimte biedt om het recht op bijstand toe te kennen met ingang van een datum gelegen vr de datum van eerste melding bij het CWI, ook niet in het geval dat er sprake is van bijzondere omstandigheden.

In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 67 van de Abw wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 8 maart 2005 (LJN AT0209) reeds geoordeeld dat hij na de inwerkingtreding van artikel 68a van de Abw geen grond ziet daarover wezenlijk anders te oordelen, zij het dat voor aanvraagdatum tevens meldingsdatum dient te worden gelezen. Daartoe heeft de Raad overwogen dat in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten zijn te vinden die erop wijzen dat met genoemd artikel is beoogd de mogelijkheid om met terugwerkende kracht bijstand toe te kennen (anders dan voorheen) in absolute zin te begrenzen, met dien verstande dat ook niet bij bijzondere omstandigheden bijstand kan worden verleend over een periode voorafgaand aan de meldingsdatum bij het CWI of de bijstandverlenende instantie. De Raad ziet daarentegen in het samenstel van genoemde bepalingen, en de daarop gegeven toelichting, veeleer de bedoeling van de wetgever tot uitdrukking komen om een duidelijke datum te markeren met ingang waarvan in ieder geval bijstand kan worden verstrekt indien overigens aan de voorwaarden voor het recht op bijstand is voldaan.

Het voorgaande betekent dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, ook in het geval er sprake is van een geregistreerde meldingsdatum bij het CWI de gevraagde bijstand met ingang van een datum voorafgaand aan die meldingsdatum kan worden toegekend, indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen overweegt de Raad voorts het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat appellante zich op 24 juli 2002 voor de eerste maal bij het CWI heeft gemeld.

Appellante heeft zich erop beroepen dat zij vanwege haar gezondheidssituatie buiten staat is geweest zich eerder dan op 24 juli 2002 bij het CWI te vervoegen dan wel een aanvraag om bijstand bij gedaagde in te dienen. Daartoe heeft zij een brief van haar huisarts van 22 mei 2003 en een brief van de behandelend psychiater van 8 september 2003 in het geding gebracht. Naar het oordeel van de Raad bieden de beschikbare medische gegevens evenwel onvoldoende grondslag voor de conclusie dat appellante op medische en/of psychische gronden verhinderd zou zijn geweest om reeds eind 2001 of begin 2002 althans vr 24 juli 2002 een aanvraag om bijstand in te dienen. Zo er al belemmeringen waren voor appellante voor het indienen van een aanvraag zou zij bovendien een derde hebben kunnen inschakelen om namens haar contact op te nemen met gedaagde en een aanvraag in te dienen. Dit geldt temeer nu zij naar eigen zeggen ten tijde in geding wel regelmatig contact met derden heeft gehad onder meer voor het afsluiten van een geldlening. Nu ook overigens niet van bijzondere omstandigheden in bovenbedoelde zin is gebleken, heeft gedaagde de ingangsdatum van de bijstandsverlening terecht op 24 juli 2002 gesteld.

Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep op geheel andere gronden voor ongegrondverklaring in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen grond.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Bepaalt dat de gemeente Leidschendam-Voorburg aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van 102,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x