Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU5657
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging, intrekking en terugvordering van de bijstand wegens inkomsten uit arbeid. Schending van de inlichtingenverplichting. De onderzoeksbevindingen bieden geen concrete gegevens die de conclusie rechtvaardigen dat betrokkene ook over de periode na 1 juli 2000 daadwerkelijk ten behoeve van het garagebedrijf op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/2006 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ís-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M. Verbraaken-Vooys, advocaat te ís-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 4 maart 2004, reg.nr. 03/1246 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Verbraaken-Vooys, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ís-Gravenhage.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 1990 bijstand, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

In 2001 is door ambtenaren van de Regiopolitie Haaglanden onderzoek gedaan naar de activiteiten van het garagebedrijf [naam bedrijf]. In dat kader is onder meer de administratie van de tweede helft van 1999 van het bedrijf in beslag genomen, is appellant gehoord en hebben een aantal getuigen verklaringen afgelegd. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente ís-Gravenhage van 20 maart 2002. Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant vanaf 1 juli 1999 werkzaamheden verricht bij garagebedrijf [naam bedrijf], zonder daarvan opgave te hebben gedaan aan gedaagde.
Bij besluit van 2 juli 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2002 beŽindigd op de grond dat appellant gelet op zijn inkomsten uit arbeid over voldoende middelen van bestaan beschikt.

Bij besluit van 4 juli 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2002 ingetrokken op de grond dat gedurende die periode sprake was van inkomsten uit arbeid. Tevens heeft gedaagde de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van Ä 31.621,31 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 7 februari 2003 - voorzover hier van belang - heeft gedaagde het bezwaar tegen de besluiten van 2 juli 2002 en 4 juli 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 februari 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer geoordeeld dat gelet op de onderzoeksbevindingen voldoende aannemelijk is te achten dat appellant ten tijde in geding op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor garagebedrijf [naam bedrijf].

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gelet op het verhandelde ter zitting is tussen partijen nog slechts in geschil de beŽindiging, de intrekking en de terugvordering. De Raad zal zijn beoordeling daartoe beperken.

De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant over de gehele in geding zijnde periode werkzaamheden heeft verricht. Hij overweegt hiertoe als volgt.

Uit de in beslag genomen administratie van garagebedrijf [naam bedrijf] betreffende de tweede helft van 1999 blijkt van een (vrijwel) wekelijkse betaling aan appellant van een bedrag van f 450,--. Appellant heeft verklaard dat hij de eigenaar al jaren kende, dat hij regelmatig in het garagebedrijf kwam om koffie te drinken of aan zijn auto te sleutelen en dat de eigenaar hem in goed vertrouwen deze gelden ter beschikking had gesteld om bij diens afwezigheid rekeningen van leveranciers te voldoen. Deze situatie duurde ook na 31 december 1999 voort. Hij is met deze activiteit naar eigen zeggen gestopt per 1 juli 2000, omdat hij niet langer de verantwoording voor deze gelden wilde dragen.

De Raad acht de verklaring van appellant dat hem betalingen zijn gedaan slechts ter voldoening van rekeningen van leveranciers onaannemelijk. Gelet op zijn regelmatige aanwezigheid in het garagebedrijf en de hoogte van de wekelijks aan hem uitbetaalde bedragen gaat de Raad er van uit dat deze betalingen geheel dan wel gedeeltelijk zijn gedaan ter beloning van door appellant verrichte werkzaamheden. Voorzover appellant leveranciers ontving en met hen afrekende, dienen die activiteiten als op geld waardeerbare werkzaamheden te worden beschouwd. De Raad is dan ook van oordeel dat genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat appellant gedurende de periode van 1 juli 1999 tot 1 juli 2000 werkzaamheden heeft verricht voor garagebedrijf [naam bedrijf] en daarvoor inkomsten heeft ontvangen, waarvan hij gedaagde geen opgave heeft gedaan. Of de ontvangen inkomsten als een reŽle beloning kunnen worden beschouwd is thans niet meer na te gaan.

De onderzoeksbevindingen bieden naar het oordeel van de Raad echter geen concrete gegevens die de conclusie rechtvaardigen dat appellant ook over de periode na 1 juli 2000 daadwerkelijk ten behoeve van garagebedrijf [naam bedrijf] op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Weliswaar blijkt uit de afgelegde getuigenverklaringen dat appellant na 1 juli 2000 regelmatig in het bedrijf aanwezig was, maar in geen van deze verklaringen is een aanwijzing te vinden dat appellant in die periode werkzaamheden heeft verricht dan wel inkomsten van het bedrijf heeft ontvangen.

Het voorgaande betekent dat de door gedaagde aangenomen schending van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting slechts kan worden vastgesteld met betrekking tot de periode van 1 juli 1999 tot 1 juli 2000. Deze schending heeft tot gevolg dat het recht op bijstand van appellant over die periode niet kan worden vastgesteld. De beŽindiging van het recht op bijstand per 1 juli 2002 en de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2002 berusten op onvoldoende grondslag. Over de periode van 1 juli 1999 tot 1 juli 2000 is wel voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking over laatstgenoemde periode af te zien, is de Raad niet gebleken.

Hiermee is gegeven dat slechts over de periode van 1 juli 1999 tot 1 juli 2000 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was over te gaan tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering over die periode af te zien, is de Raad niet gebleken.

De rechtbank heeft een en ander niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 7 februari 2003, voorzover dat ziet op de beŽindiging, de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2002 en de terugvordering van Ä 31.621,31, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Gedaagde zal in zoverre met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op Ä 644,-- in beroep en op Ä 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2003 gegrond;
Vernietigt het besluit van 7 februari 2003 voorzover dat ziet op de beŽindiging, de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2002 en de terugvordering;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van Ä 1.288,--, te betalen door de gemeente ís-Gravenhage aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente ís-Gravenhage aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal Ä 133,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van L. JŲrg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 november 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. JŲrg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x