Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU5763
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn aan betrokkene terecht de in artikel 113, eerste lid, van de Abw vervatte verplichtingen gericht op de inschakeling in de arbeid opgelegd voor 20 uur per week? Het hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/3993 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 21 juni 2004, reg.nr. 04/154 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 september 2005, waar appellante in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door R. van Gelder, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving ten tijde hier van belang een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 22 juli 2003 heeft gedaagde aan appellante de in artikel 113, eerste lid, van de Abw vervatte verplichtingen, gericht op de inschakeling in de arbeid, opgelegd voor 20 uur per week. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van 2 mei 2003 van de sociaal geneeskundige B.A.M. Verkade, verbonden aan Argonaut B.V. te Alkmaar.
Op 8 oktober 2003 heeft deze sociaal geneeskundige hangende het bezwaar van appellante tegen dit besluit op verzoek van gedaagde een aanvullend advies uitgebracht.

Bij besluit van 18 december 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 december 2003 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat gedaagde ten onrechte heeft aangenomen dat zij twintig uur per week, te weten vier uur per dag belastbaar is geacht voor arbeid. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de conclusies van de arts Verkade afwijken van die van de arbeidsmedisch adviseur van KLIQ, die haar in het geheel niet belastbaar heeft geacht voor werk.

Hangende het hoger beroep heeft gedaagde bij besluit van 16 juli 2004 appellante met toepassing van artikel 107, eerste lid, van de Abw met ingang van die datum volledig ontheffing verleend van de in artikel 113, eerste lid, van de Abw vervatte verplichtingen, behoudens die om zich als werkzoekende bij het Centrum voor Werk en Inkomen te laten inschrijven. Deze ontheffing gold tot 15 juli 2005. Daarna zou gedaagde ter zake opnieuw een beslissing nemen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat appellante in hoger beroep de vraag beantwoord wil zien of gedaagde haar in de periode van 22 juli 2003 tot 16 juli 2004 terecht belastbaar heeft geacht met arbeid gedurende twintig uur per week, vier uur per dag, en dat zij slechts voor het meerdere is ontheven van de in artikel 113, eerste lid, van de Abw bedoelde arbeidsverplichtingen.

De Raad kan in het onderhavige geval niet aan zulk een beoordeling toekomen. In het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de administratieve rechter alleen dan tot het beoordelen van rechtsvragen geroepen als dat in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden. Aangezien appellante met ingang van 16 juli 2004 volledig is ontheven van de arbeidsverplichtingen, zoals in het besluit van die datum omschreven, betreft de door appellante in hoger beroep aan de orde gestelde vraag uitsluitend de daaraan voorafgaande afgesloten beoordelingsperiode. Ter zitting van de Raad is komen vast te staan dat in die periode geen maatregel als bedoeld in artikel 14 van de Abw is opgelegd en dat het nemen van zulk een maatregel jegens appellante evenmin wordt overwogen. Nu een oordeel van de Raad over die periode evenmin betekenis kan hebben voor een toekomstige beoordelingsperiode en geen schadevergoeding is gevorderd als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb, kan geen tot de persoon van appellante te herleiden procesbelang meer worden vastgesteld bij een beoordeling ten gronde van het besluit van 18 december 2003.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 november 2005.

(get.) R.M. van Male.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x