Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU6271
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging van het recht op uitkering. Is er sprake van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse verzorging?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/3295 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 mei 2004, reg.nr. Awb 03/1959 NABW.

Bij brief van 1 juli 2004 heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, de Raad medegedeeld als gemachtigde van gedaagde op te treden.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 oktober 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door C.M. Valkering, werkzaam bij de gemeente Zaanstad, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer.




II. MOTIVERING


Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde ontving sedert 6 maart 2002 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Gedaagde heeft bij aanvang van de bijstandsverlening aan appellant opgegeven een kamer te huren bij [M.K. D.] (hierna: [D.]) op het adres [adres] en hiervoor een bedrag van Ä 185,-- per maand te betalen. Op 1 september 2003 hebben twee medewerkers van appellant een huisbezoek bij gedaagde afgelegd. De bevindingen van dit huisbezoek, neergelegd in een rapport van 4 september 2003, zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 4 september 2003 het recht op bijstand van gedaagde te beŽindigen met ingang van 1 september 2003 op de grond dat gedaagde een gezamenlijke huishouding met [D.] voert.
Bij besluit van 11 november 2003 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het tegen het besluit van 11 november 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de aanwezige onderzoeksgegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden voor appellants standpunt dat gedaagde en [D.] een gezamenlijke huishouding voeren.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Tussen partijen is niet in geschil - en ook voor de Raad staat vast - dat gedaagde en [D.] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of is voldaan aan het criterium van wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aanwezige onderzoeksgegevens voldoende steun bieden voor de door appellant getrokken conclusie dat gedaagde en [D.] ten tijde hier van belang ook aan het criterium van de wederzijdse verzorging voldeden. Uit de bevindingen bij het huisbezoek van 1 september 2003 en de ter gelegenheid daarvan door gedaagde gedane mededelingen, waarvan een neerslag te vinden is in de eerder genoemde rapportage van 4 september 2003, blijkt dat gedaagde van alle voorzieningen in de woning van [D.] gebruik kon maken, dat hij geen huur betaalde, dat de door hem en [D.] gemaakte telefoon- en internetkosten voor zijn rekening kwamen en dat hij regelmatig voor beiden boodschappen deed en kookte. Uit een en ander komt naar het oordeel van de Raad naar voren dat gedaagde een bijdrage leverde in de kosten van de huishouding en ook anderszins in de verzorging van [D.] voorzag en dat geen sprake is van een commerciŽle relatie. Dit betekent dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gedaagde en [D.] ten tijde van belang een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de toepasselijke wettelijke bepalingen. De door gedaagde in de loop van de procedure aangebrachte nuanceringen van de door hem tijdens het huisbezoek gedane mededelingen, maakt dit oordeel niet anders.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het besluit van 11 november 2003 ten onrechte wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht heeft vernietigd. Hieruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigt en doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 11 november 2003 ongegrond verklaren.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 november 2003 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x