Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU6333
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een bril voor zover die kosten meer bedragen dan de toekenningsgrens krachtens gemeentelijk beleid.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3821 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2004, reg.nr. 03/3343 NABW.

Bij brief van 21 september 2004 heeft mr. J.W.M. Lenting, advocaat te Rotterdam, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Lenting, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door L.R.Chr. Capiau, werkzaam bij de gemeente Hellevoetsluis.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 31 juli 2003 een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een bril ingediend. De kosten bedragen 383,-- voor het montuur en 405,80 voor de glazen.

Bij besluit van 6 augustus 2003 heeft gedaagde - overeenkomstig het gemeentelijk beleid - bijzondere bijstand voor de kosten van een bril verleend tot een bedrag van 259,--.

Bij besluit van 28 oktober 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) is bepaald dat, onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Gedaagde hanteert voor de verlening van bijzondere bijstand voor de kosten van een bril onder meer als beleidslijn dat uitgegaan dient te worden van de goedkoopste adequate voorziening, te weten 35,-- voor het montuur en 126,-- voor de glazen. In geval van multifocale glazen kan de bijstand maximaal met 72,-- per glas worden verhoogd. De vergoeding van de zorgverzekeraar wordt in mindering gebracht op de maximaal te verstrekken bijstand. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het door gedaagde gevoerde beleid, dat strookt met het complementaire karakter van de Abw, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.

Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat hij is aangewezen op het dragen van een licht montuur, hetgeen hogere kosten met zich meebrengt. Naar het oordeel van de Raad kan uit de door appellant overgelegde verklaringen niet de noodzaak voor het dragen van een licht montuur worden afgeleid. De meerkosten van het montuur kunnen derhalve niet worden gerekend tot de noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw.

Met betrekking tot de brillenglazen merkt de Raad op dat appellant niet door middel van objectieve medische gegevens de noodzaak voor het dragen van speciale glazen, die ten opzichte van multifocale glazen tot meerkosten zouden leiden, heeft aangetoond. De door appellant overgelegde brieven van opticien Van den Heuvel van 3 oktober 2003 en 5 maart 2005 brengen de Raad niet tot een ander oordeel nu uit deze brieven enkel een wenselijkheid, maar geen strikte noodzaak voor het dragen van speciale glazen kan worden afgeleid. Ook de in beroep en hoger beroep in het geding gebrachte verklaringen bieden naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond voor de conclusie dat de meerkosten van de betreffende glazen tot de noodzakelijke kosten van het bestaan behoren.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat wat betreft de meerkosten van het montuur en de brillenglazen geen sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x