Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU6989
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bijstand in aanvulling op inkomsten uit arbeid. Ontslag. Ontbindingsvergoeding. WW-uitkering en toeslag ingevolge de TW. Is de terugvordering wegens te veel uitbetaalde bijstand terecht?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/2087 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. R.H.M.Ch. Libotte, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 maart 2004, reg.nr. 03/167 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 oktober 2005, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F.Y. Gans, kantoorgenoot van mr. Libotte, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. Overhof, werkzaam bij de gemeente Maastricht.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellante is met ingang van 2 augustus 1999 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend in aanvulling op haar inkomsten uit arbeid in deeltijd bij het Werkvoorzieningschap Eijsden, Maastricht, Margraten en Meerssen, ook bekend als MTB.

Bij beschikking van 9 februari 2001 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen appellante en MTB met ingang van 1 maart 2001 wegens gewichtige redenen ontbonden en aan appellante ten laste van MTB een vergoeding van 4.078,65 (bruto) toegekend.

Met ingang van 2 april 2001 is aan appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend verhoogd met een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW).

Bij brief van 12 oktober 2001 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat uit een herberekening over de periode van 1 februari 2001 tot en met 30 juni 2001 is gebleken dat appellante te veel bijstand heeft ontvangen, dat de over deze periode ten onrechte ontvangen uitkering wordt teruggevorderd op grond van artikel 81, tweede lid, van de Abw en dat appellante omtrent de exacte hoogte van het terug te vorderen bedrag een afzonderlijk besluit zal ontvangen.

Bij besluit van 28 november 2001 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat uit de herberekening over deze periode is gebleken dat appellante een bedrag van 4.664,02 ( 2.116,44) teveel aan bijstand heeft ontvangen en dat, na verrekening van een deel van dit bedrag met de uitkering, een bedrag van 3.705,31 ( 1.681,40) wordt teruggevorderd op grond van artikel 81, tweede lid, van de Abw. Aanleiding voor de herberekening vormde de door de kantonrechter toegekende ontbindingsvergoeding en de toegekende WW-uitkering.

Bij besluit van 18 december 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 28 november 2001 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten, die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling omtrent het griffierecht, het beroep tegen het besluit van 18 december 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De vernietiging heeft de rechtbank gebaseerd op de grond dat gedaagde ten onrechte artikel 81, tweede lid, van de Abw aan de terugvordering ten grondslag heeft gelegd terwijl dit artikel 81, eerste lid, van de Abw had moeten zijn. Het in stand laten van de rechtsgevolgen heeft de rechtbank gebaseerd op de grond dat de brief van 12 oktober 2001 kan worden aangemerkt als het voorafgaand aan de terugvordering noodzakelijke herzieningsbesluit alsmede op de grond dat niet gebleken is dat het terug te vorderen bedrag op een onjuiste wijze is vastgesteld.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de onderhavige situatie artikel 81, eerste lid, van de Abw van toepassing is en dat in zulk een geval aan een besluit tot terugvordering een herzienings- of terugvorderingsbesluit vooraf dient te gaan.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de brief van 12 oktober 2001 geen besluit tot herziening of intrekking van het recht op bijstand van appellante besloten ligt nu daaruit niet blijkt naar welke omvang dat recht in afwijking van het toekenningsbesluit over de periode van 1 februari 2001 tot en met 30 juni 2001 nader is vastgesteld. Dit betekent dat het besluit tot terugvordering niet op een deugdelijke grondslag berust, aangezien niet is voldaan aan de blijkens artikel 81, eerste lid, van de Abw geldende voorwaarde dat, voorzover hier van belang, een besluit moet zijn genomen als bedoeld in artikel 69, derde lid, van de Abw waaruit blijkt dat de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde terugvorderingsbesluit in stand worden gelaten. De aangevallen uitspraak komt mitsdien, voorzover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking.

De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, bepalen dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar van appellante moet nemen met inachtneming van het nagevolgende.

Naar het oordeel van de Raad dient de door de kantonrechter vastgestelde ontbindingsvergoeding te worden aangemerkt als een middel als bedoeld in artikel 42 van de Abw waarmee bij de bijstandsverlening rekening gehouden dient te worden. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of dit middel als inkomen dan wel als vermogen dient te worden aangemerkt.

De Raad vindt in de beschikking van de kantonrechter en het daaraan ten grondslag liggende verzoekschrift geen steun voor het standpunt van appellante dat de ontbindingsvergoeding als vermogen dient te worden aangemerkt. Deze gedingstukken geven geen aanleiding aan te nemen dat deze vergoeding is toegekend ander dan als compensatie voor het door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met MTB door appellante gederfde loon. Deze vergoeding is derhalve door gedaagde terecht aangemerkt als inkomen, als bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw. Dit in een bedrag in eens uitbetaalde inkomen moet in aanmerking worden genomen naar de periode waarop dit geacht moet worden betrekking te hebben.

Gedaagde heeft de ontbindingsvergoeding, in navolging van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bij zijn besluitvorming in het kader van de WW, toegerekend aan de periode van 10 februari 2001 tot en met 1 april 2001. Dit is niet juist aangezien de arbeidsovereenkomst eerst met ingang van 1 maart 2001 is ontbonden. De vergoeding voor gederfd loon ziet dan ook op de periode na 1 maart 2001. Gedaagde zal hiermee bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van appellante rekening dienen te houden.

De afwijzing van het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten in de bezwaarfase kan in rechte standhouden. Gedaagde heeft dit verzoek terecht beoordeeld naar het recht zoals dat gold ten tijde van het primaire besluit van 28 november 2001. Daarvan uitgaande is vergoeding van deze kosten slechts mogelijk wanneer de besluitvorming door het bestuursorgaan dermate ernstige gebreken vertoont dat er tegen beter weten in een onrechtmatig primair besluit tot stand is gekomen. Van zodanig ernstige gebreken bij het primaire besluit is geen sprake.

De Raad ziet aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op 644,-- in beroep en op 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar van appellante neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 1.288,--, te betalen door de gemeente Maastricht;
Bepaalt dat de gemeente Maastricht aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 102,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2005.

(get.) R.M. van Male.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x