Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU6991
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, is de feitelijke woonsituatie doorslaggevend. De motieven van de betrokkenen zijn daarbij niet van belang.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/1272 NABW en 04/1273 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. E.C. Ramdihal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 23 januari 2004, reg.nrs. 03/900 NABW en 03/946 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 oktober 2005, waar appellanten - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.C. Versneij, werkzaam bij de gemeente Almere.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

Appellant heeft op 20 november 2002 een aanvraag om bijstand ingediend in aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij heeft appellant aangegeven inwonend te zijn bij [naam echtgenoot van de dochter van appellant] (de echtgenoot van de dochter van appellant) op het adres [adres 1].

Bij besluit van 17 januari 2002 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met appellante in haar woning aan [adres 2]. Aan dit besluit ligt een op 14 januari 2003 uitgevoerd onderzoek ten grondslag, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 15 januari 2003.

Op basis van datzelfde onderzoek heeft gedaagde de betaling van bijstand aan appellante na 13 januari 2003 gestaakt en bij besluit van 29 april 2003 haar recht op bijstand met ingang van 14 januari 2003 ingetrokken (lees: beŽindigd). Gedaagde heeft aan dit besluit onder meer ten grondslag gelegd dat zij een gezamenlijke huishouding voert met appellant.

Bij besluit van 4 juni 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 januari 2003 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 11 juni 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 april 2003 eveneens ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 4 juni 2003 en 11 juni 2003 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben de aangevallen uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangezien vaststaat dat uit de (huwelijks)relatie van appellanten kinderen zijn geboren, is gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw voor de beantwoording van de vraag of ten einde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

Het aanhouden van afzonderlijke woonruimte hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Met de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat op grond van de beschikbare gegevens voldoende aannemelijk is geworden dat appellant op 14 januari 2003 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. De Raad acht daarvoor in de eerste plaats van belang dat appellant heeft aangegeven dat hij van vrijdagmiddag tot en met zondag en op de dinsdag en de woensdag bij appellante verbleef, alsmede de omstandigheden waaronder hij bij het onaangekondigde huisbezoek in de woning van appellante werd aangetroffen, terwijl de daarvoor gegeven verklaring niet juist bleek te zijn. Gelet voorts op de beschrijving van de inrichting van de kamer op het [adres 1] die appellant zei te bewonen en het feit dat hij aldaar niet beschikte over kook- en douchegelegenheid en gebruik diende te maken van het - via een tussendeur bereikbare - toilet op nr. 3, kan niet worden gezegd dat sprake was van een reguliere bewoning van die kamer.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellanten voor de toepassing van de Abw als gehuwden moesten worden aangemerkt en niet als zelfstandig subject recht hadden op bijstand (naar de norm voor een alleenstaande).

Dat de aanwezigheid van appellant in de woning van appellante verband hield met de verzorging van appellante door appellant, maakt dit niet anders. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, is immers de feitelijke woonsituatie doorslaggevend. De motieven van de betrokkenen zijn daarbij niet van belang.

Gedaagde heeft de aanvraag van appellant om bijstand naar de norm voor een alleenstaande dan ook terecht afgewezen en de bijstand aan appellante naar de norm voor een alleenstaande terecht beŽindigd.

Naar aanleiding van het argument van appellanten dat gedaagde jarenlang van hun situatie op de hoogte was en onder gelijke omstandigheden wel steeds aan ieder afzonderlijk bijstand heeft verleend, overweegt de Raad als volgt. Aangezien appellant voordat hij de hiervoor beschreven onzelfstandige woonruimte aan de PoŽziestraat huurde een eigen, zelfstandige, huurwoning had, kan niet worden gesproken van gelijke omstandigheden. Reeds op die grond konden appellanten aan de handelwijze van gedaagde geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.

Hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 november 2005.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) R.C. Visser.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x