Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU7311
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging, intrekking en terugvordering van de bijstand wegens vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens. Is verdere bezwaring of verkoop van het, niet door betrokkene zelf bewoonde, pand redelijkerwijs niet mogelijk?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/2200 NABW en 04/2201 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M.G. van Westrenen, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2004, reg.nrs. 03/941 NABW en 03/2252 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 november 2005, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


Appellant ontving van gedaagde bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Naar aanleiding van een onderzoek door de sociale recherche naar het recht op bijstand van appellant is gedaagde gebleken dat appellant eigenaar is van een niet door hem bewoond pand aan de [adres] te [woonplaats], bestaande uit drie woningen en een winkel (hierna: het pand).

Bij besluit van 27 maart 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2002 beŽindigd op de grond dat het vermogen van appellant verdere bijstandsverlening in de weg staat. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 januari 2003 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 mei 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 september 1998 tot en met 31 maart 2000 en van 20 juni 2000 tot en met 28 februari 2002 ingetrokken wegens het niet melden van vermogen dat bijstandsverlening in de weg staat en de gemaakte kosten van bijstand over deze perioden tot een bedrag van Ä 27.528,91 van appellant teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 april 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 14 januari 2003 en 22 april 2003 ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat op basis van het taxatierapport van 12 april 2002 de waarde van het pand van appellant op Ä 125.000,-- kan worden gesteld en dat de schulden, nog daargelaten de vraag of deze als reŽle en ten tijde hier van belang als nog bestaande schulden kunnen worden aangemerkt, maximaal Ä 80.171,-- bedragen. Daarvan uitgaande bedroeg het vermogen van appellant Ä 44.828,-- (lees: Ä 44.829,--) welk bedrag het vrij te laten vermogen, genoemd in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw gedurende de gehele hier van belang zijnde periode overstijgt.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens appellant staat zijn vermogen in het pand bijstandsverlening niet in de weg. Hij verwijst hierbij naar het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand van 24 januari 2003. Bij dit besluit is het vermogen in het pand in het kader van een aanvraag om toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand buiten beschouwing gebleven. Daarnaast meent appellant dat het beslag op zijn pand met zich brengt dat er geen sprake is van beschikbaar vermogen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad is van oordeel dat aan het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand om het vermogen van appellant in zijn pand buiten beschouwing te laten in de onderhavige procedure geen betekenis toekomt. Nog daargelaten het feit dat de Wet op de rechtsbijstand een eigen regime voor vermogensvaststelling kent, heeft gedaagde bij de uitvoering van de Abw een eigen verantwoordelijkheid om onderzoek te doen naar het vermogen van appellant. Aan dat onderzoek dient appellant mee te werken en hiervoor ook alle noodzakelijke inlichtingen te geven. Deze grief treft derhalve geen doel.

Anders dan appellant stelt is de enkele omstandigheid dat op het pand beslag is gelegd onvoldoende voor de conclusie dat hij niet over het daaruit bestaande vermogen zou kunnen beschikken. Gelet op de vaststelling door de rechtbank van de executiewaarde van het pand en van de schulden waar maximaal rekening mee kan worden gehouden, is er geen aanleiding om aan te nemen dat het pand van appellant zodanig bezwaard is dat het te gelde maken van het vermogen door middel van verdere bezwaring of verkoop daarvan redelijkerwijs niet mogelijk zou zijn. Ook deze grief treft derhalve geen doel.
Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2005.

(get.) Th.C. Van Sloten.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x