Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU7796
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene heeft niet de gevraagde informatie verstrekt die nodig is voor de vaststelling van het recht bijstand. Is de bijstandsaanvraag terecht met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet in behandeling genomen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/4466 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2004, reg.nr. 02/2818.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 november 2005, waar voor appellant is verschenen mr. H.G.A.M. Halfers, juridisch medewerker bij Nasrullah advocaten te Rotterdam, en waar gedaagde - met bericht - niet is verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 10 december 2001 bij gedaagde een aanvraag om bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet ingediend. Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit van 15 januari 2002 waarbij gedaagde de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling heeft gelaten op de grond dat appellant heeft verzuimd om uiterlijk bij een gesprek op de laatstgenoemde datum de nadere gegevens te verstrekken waar gedaagde bij brieven van 3 januari 2002 en 9 januari 2002 om heeft verzocht.

Bij besluit van 6 augustus 2002 heeft gedaagde de bezwaren tegen het besluit van 15 januari 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 augustus 2002 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is er onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Appellant is bij brieven van 3 januari 2002 en 9 januari 2002 in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag van 10 december 2001 aan te vullen met onder meer de beslissing omtrent de aanvraag om toekenning van een werkloosheidsuitkering, een ondertekende volmacht in verband met de mogelijke toekenning van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en een ingevuld formulier onderhoudsplicht. De Raad is van oordeel dat gedaagde terecht om deze gegevens heeft verzocht nu die noodzakelijk zijn om het recht op bijstand te kunnen beoordelen.

In hoger beroep heeft appellant - voor het eerst - de stelling ingenomen dat niet vaststaat dat gedaagde de brieven van 3 januari 2002 en 9 januari 2002 heeft verzonden.

De Raad kan appellant hierin niet volgen.

De Raad overweegt daartoe dat appellant in bezwaar en in beroep nog het standpunt heeft ingenomen dat hij de gevraagde informatie naar aanleiding van een verzoek daartoe van gedaagde van 10 december 2001 reeds op 17 december 2001 heeft ingeleverd. Toen appellant ermee werd geconfronteerd dat gedaagde op 3 januari 2002 voor de eerste keer om voormelde gegevens heeft verzocht heeft hij aangevoerd dat hij de brieven van 3 januari 2002 en 9 januari 2002 niet heeft ontvangen omdat zijn buurman de post weggooit. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad terecht overwogen dat deze grief geen doel treft omdat het zoekraken van post voor eigen risico van appellant komt. In dat verband acht de Raad de door appellant in hoger beroep opgeworpen grief dat de verklaring over zijn buurman slechts een hypothese betreft, onaannemelijk.

Niet is gebleken dat appellant in de onmogelijkheid heeft verkeerd de verzochte gegevens uiterlijk op 15 januari 2002 aan gedaagde te verstrekken.

De Raad ziet niet in welk gewicht moet worden toegekend aan de niet met enig - medisch - stuk onderbouwde stelling van appellant dat gedaagde hem gelet op zijn medische situatie telefonisch had moeten benaderen toen een reactie uitbleef op de brief van 3 januari 2001. Ter zitting van de Raad heeft appellant het uitblijven van een telefonisch verzoek om informatie in verband gebracht met schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daargelaten of het tijdstip waarop deze grief is aangevoerd zich nog verstaat met de beginselen van een goede procesorde, kan de Raad appellant ook hierin niet volgen.

Gelet op het vorenoverwogene is appellant in zoverre tekortgeschoten dat hij niet binnen de door gedaagde gestelde termijn de verzochte informatie heeft verstrekt. Gedaagde heeft zich derhalve terecht bevoegd geacht om de aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. Voorts kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot buiten behandelingstelling heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met enig ander namens appellant genoemde ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x