Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU8534
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Is de periode waarover wordt teruggevorderd juist vastgesteld, gelet op de vervaltermijn van artikel 61d van de ABW en artikel 87, eerste lid (tekst tot 1 juli 1997), van de Abw?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/2053 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 8 maart 2004, reg.nr. 03/1138 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 november 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F.P. van Gerven, kantoorgenoot van mr. Blom, en waar gedaagde met voorafgaand bericht zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving vanaf 7 maart 1994 een bijstandsuitkering, ten tijde in geding naar de norm voor een gezin, welke uitkering met ingang van 1 januari 1997 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Naar aanleiding van bij gedaagde in januari 1998 en januari 1999 ontvangen inlichtingen van de Belastingdienst dat appellant onder meer over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 werkzaam was bij de Stichting Khan, heeft gedaagde bij Cadans geïnformeerd of er voor appellant premies waren afgedragen. Op basis van de ontvangen informatie heeft gedaagde bij besluit van 30 maart 2001, voorzover van belang, het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 herzien (lees: ingetrokken). Bij besluit van dezelfde datum heeft gedaagde de kosten van bijstand over die periode en de thans niet meer in geding zijnde periode van 1 mei 1997 tot en met 14 mei 1997 tot een bedrag van € 13.562,89 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 21 juli 2003 heeft gedaagde de bezwaren tegen de besluiten van 30 maart 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 juli 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voorzover daarbij de intrekking en de terugvordering over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat het door gedaagde genomen besluit tot intrekking van de aan appellant verleende bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 niet kan worden gebaseerd op het eerst sedert 1 juli 1997 geldende artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Het bestreden besluit berust dan ook in zoverre op een onjuiste wettelijke grondslag.
De rechtbank is hieraan voorbij gegaan zodat de aangevallen uitspraak in zoverre geen stand kan houden. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het intrekkingsbesluit in zoverre vernietigen.

De intrekking kan inhoudelijk niettemin over de gehele in geding zijnde periode gerechtvaardigd blijken te zijn indien daarbij op de juiste materiële bepalingen acht wordt geslagen. In dit verband wijst de Raad er nog op dat, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, de bepalingen van de Algemene Bijstandswet (ABW) van toepassing zijn tot 1 februari 1996, nu appellant gelet op het navolgende achteraf bezien over januari 1996 geen recht had op een ABW-uitkering.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Voor de Raad is op grond van de door de Belastingdienst verstrekte gegevens, waarop onder meer de naam en het adres van appellant zijn vermeld, in combinatie met de door Cadans verstrekte gegevens, waarop onder meer de naam, de geboortedatum en het Sofi-nummer van appellant zijn vermeld, genoegzaam komen vast te staan dat appellant in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 bij de Stichting Khan heeft gewerkt en daarvoor loon heeft ontvangen, waarvan hij gedaagde niet op de hoogte heeft gebracht. In een dergelijk geval is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Appellant heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat niet hij, maar een derde op zijn naam en onder zijn Sofi-nummer werkzaamheden heeft verricht. In dit verband acht de Raad van belang dat appellant geen aangifte bij de politie heeft gedaan ter zake van misbruik van zijn sofi-nummer.

Gelet op het voorgaande moet het er dan ook voor worden gehouden dat aan appellant in de in geding zijnde periode als gevolg van het feit dat hij de ingevolg artikel 30, tweede lid, van de ABW en artikel 65, eerste lid (oud) van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden ten onrechte bijstand is verleend, zodat gedaagde terecht tot intrekking van het recht op bijstand van appellant is overgegaan.

Met inachtneming van het vorenstaande concludeert de Raad tevens dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW over de periode van 1 januari 1996 tot 1 februari 1996 en van artikel 81, eerste lid (oud), van de Abw over de periode van 1 februari 1996 tot en met 31 december 1996.

Voorts is de Raad van oordeel dat de stelling van appellant dat de terugvordering wegens trage besluitvorming door gedaagde in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, eraan voorbij ziet dat de in het onderhavige geval van toepassing zijnde bepalingen uit de ABW en de Abw het bestuursorgaan de verplichting opleggen om tot terugvordering te besluiten, tenzij zich dringende redenen voordoen.

Niettemin oordeelt de Raad dat het bestreden besluit ook voorzover dit ziet op de terugvordering in rechte geen stand kan houden. Ingevolge de vervaltermijn van artikel 61d van de ABW en artikel 87, eerste lid (tekst tot 1 juli 1997), van de Abw, welk artikel tot 1 juli 1997 zijn gelding heeft behouden - de Raad heeft gelet op hetgeen ter zitting door appellant is gesteld zijn beroep op verjaring begrepen als een beroep op vernoemde vervaltermijn - kan de terugvordering immers niet verder terugwerken dan vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop het primaire terugvorderingbesluit is verzonden (d.i. 30 maart 2001). Dit betekent dat de terugvordering voorzover deze ziet op de periode van 1 januari 1996 tot 30 maart 1996 niet in stand kan blijven. Aangezien naar vaste rechtspraak van de Raad een terugvorderingsbesluit voorts als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand en een executoriale titel oplevert, kan het bestreden besluit ook voorzover dit ziet op de terugvordering niet in stand blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Raad beslissen zoals nader is aangeduid onder rubriek III.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover deze betrekking heeft op de intrekking van het recht op bijstand over mei 1997;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond;
Vernietigt het besluit van 21 juli 2003 voorzover het betreft de intrekking over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 en de terugvordering;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit voorzover dit ziet op de intrekking over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 in stand blijven;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt ten aanzien van de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-- te betalen door de gemeente Lelystad;
Bepaalt dat de gemeente Lelystad aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in 20 december 2005.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x