Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU8842
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting. Naar vaste rechtspraak van de CRvB dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun relatie niet van belang.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/3197 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Westervoort, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 mei 2004, reg.nr. AWB 03/2313.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 november 2005, waar voor appellante is verschenen mr. Noppen, en waar gedaagde zich - zoals tevoren bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 maart 1987 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Algemene bijstandwet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante zou samenwonen en regelmatig op een camping te [vestigingsplaats] zou verblijven heeft de Sociale Recherche De Liemers (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtsmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Op grond van de resultaten van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 16 december 2002, heeft gedaagde geconcludeerd dat appellante in de periode van 1 augustus 1994 tot en met 31 oktober 2002 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [partner] (hierna: [partner]), waarvan zij aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan. Gedaagde heeft daarin aanleiding gezien om bij besluit van 17 maart 2003 het recht op uitkering van appellante met ingang van 1 juli 1997 te herzien (lees: in te trekken) en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2002 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van 62.423,17 van haar terug te vorderen.

Bij besluit van 19 augustus 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2003 gegrond verklaard in die zin dat de hoogte van de terugvordering over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2002 opnieuw dient te worden vastgesteld aan de hand van de inkomensgegevens van [partner]. Tevens heeft gedaagde geoordeeld dat appellante telkens in de maanden april tot oktober in de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2002 geen woonplaats had in de gemeente [woonplaats], zodat zij ingevolge artikel 63 van de Abw jegens gedaagde geen recht had op bijstand. In de maanden oktober tot april in de betreffende periode bestond geen recht op bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met [partner] op het woonadres van appellante, te weten [adres] te [woonplaats].

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 19 augustus 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd met opdracht aan gedaagde een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat er voldoende grondslag is voor het oordeel dat appellante en [partner] in de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2002 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres [adres] te [woonplaats].

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voorzover de rechtbank heeft geoordeeld dat er in de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2002 sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [partner] op het woonadres van appellante.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad verwerpt allereerst de in hoger beroep opgeworpen grief dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van appellante om haar zoon, [zoon], als getuige op te roepen heeft afgewezen. De artikelen 8:46, eerste lid, en 8:60, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geven de rechtbank de bevoegdheid om een getuige op te roepen. De rechtbank is daartoe niet verplicht. De Raad is niet gebleken dat de rechtbank er in het onderhavige geval niet in redelijkheid van heeft kunnen afzien om [zoon] als getuige op te roepen. De Raad heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de reeds in het procesdossier aanwezige gegevens. Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat door appellante niet is aangegeven in welk opzicht de verklaring van de getuige nog iets zou kunnen toevoegen aan zijn op schrift gestelde verklaring.
De Raad heeft geen aanleiding gezien om [zoon] in hoger beroep als getuige op te roepen. De Raad merkt hierbij op dat het appellante vrij stond getuigen ter zitting van de Raad mee te brengen, dan wel op te roepen, doch dat zij daarvan kennelijk om haar moverende redenen heeft afgezien.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun relatie niet van belang.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat appellante en [partner] ten tijde in geding hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het adres [adres] te [woonplaats]. De Raad acht daarbij onder meer van betekenis dat uit de verklaringen van appellante en [partner] moet worden afgeleid dat zij ten tijde in geding in de maanden oktober tot april op het adres [adres] te [woonplaats] verbleven en in overige maanden voornamelijk samen op de camping te [vestigingsplaats]. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het enkele feit dat appellante en [partner] veelvuldig op de camping verbleven niet betekent dat zij hun hoofdverblijf hadden verplaatst naar de camping. Tevens heeft appellante verklaard dat een gedeelte van de kleding van [partner], alsmede zijn administratieve bescheiden in haar woning liggen.

Uit de verklaringen van appellante en [partner] komt voorts voldoende naar voren dat sprake was van wederzijdse zorg. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat [partner] heeft verklaard dat gedurende het verblijf op de camping de kosten van levensonderhoud voor zijn rekening kwamen en gedurende het verblijf te [woonplaats] voor rekening van appellante. Tevens heeft appellante verklaard dat zij de maaltijden en de was voor [partner] verzorgde, alsmede dat zij gemachtigd is voor diens bankrekening, van welke rekening zij geld opnam voor het doen van boodschappen.

In hetgeen appellante ter zake van de verklaringen heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om af te wijken van zijn rechtspraak dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan het later herroepen of wijzigen ervan geen zwaarwegende betekenis kan worden toegekend. Appellante en [partner] hebben hun verklaringen, nadat deze op schrift zijn gesteld, zonder enig voorbehoud ondertekend. De verklaringen vinden voorts steun in de verklaringen die tegenover de sociale recherche zijn afgelegd door twee buurtbewoners. Het feit dat deze getuigen in een later stadium hun verklaringen enigszins hebben genuanceerd maakt dit niet anders.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante en [partner] in de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2002 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Abw (tekst vr en vanaf 1 januari 1998).

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2005.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.C. de Wit.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x