Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU8992
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte van de toegekende bijzondere bijstand voor de kosten van een aanvullende ziektekostenverzekering.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/2689 NABW en 05/440 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


R.L. Heijdenrijk heeft als bewindvoerder namens appellante hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2003 reg.nr. 02/3107 NABW en van 23 december 2004, reg.nr. 04/1224 NABW.

Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 22 november 2005, waar voor appellante is verschenen R.L Heijdenrijk, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Mulder, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft, voorzover hier van belang, op 2 augustus 2001 en op 13 januari 2003 bijzondere bijstand aangevraagd voor de niet door haar ziektekostenverzekering gedekte kosten van tandheelkundige hulp.

Bij besluiten van respectievelijk 11 oktober 2001 en 27 januari 2003 is in deze kosten bijzondere bijstand toegekend tot bedragen van respectievelijk f 300,-- en 138,75, zijnde de krachtens gemeentelijk beleid maximaal te vergoeden bedragen bovenop de reeds op grond van de aanvullende ziektekostenverzekering (AV Plus Amsterdam) voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

Bij besluiten van 28 mei 2002 (besluit 1) en 17 februari 2004 (besluit 2) zijn de tegen de besluiten van 11 oktober 2001 en 27 januari 2003 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraken zijn de tegen de besluiten 1 en 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraken. Daartoe heeft zij - samengevat - aangevoerd dat voor de resterende kosten (boven het maximaal door de ziektekostenverzekering te vergoeden bedrag) geen toereikende voorliggende voorziening aanwezig is, dat nader onderzoek naar de noodzaak van de kosten dient plaats te vinden en dat acht dient te worden geslagen op haar individuele omstandigheden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Ziekenfondswet gold ten tijde hier van belang voor de in geding zijnde kosten, gelet op de aanspraken ingevolge de Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering voor verzekerden als appellante, als een voorliggende, passende en toereikende voorziening. De Raad wijst er in dat verband nog op dat met deze Regeling beoogd is aan een ieder een basispakket voor tandheelkundige hulp te bieden (met de nadruk op preventieve zorg) en dat naast de in artikel 6 van de Regeling bedoelde voorzieningen voor volwassen verzekerden blijkens het bepaalde in artikel 8 van de Regeling ook andere tandheelkundige hulp beschikbaar is. Het enkele feit dat daarvoor een bijzondere indicatie geldt doet daaraan niet af. Dit brengt mee dat artikel 17, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) in beginsel aan toekenning van bijzondere bijstand in de gevraagde kosten in de weg staat.

Voorts biedt artikel 17, derde lid, van de Abw de mogelijkheid om in afwijking van de voorgaande leden, in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn. Volgens de wetsgeschiedenis dient daarbij gedacht te worden aan noodsituaties. De gedingstukken bieden de Raad geen aanknopingspunt om te oordelen dat daarvan in het geval van appellante sprake is. Dit betekent dat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om appellante bijzondere bijstand te verlenen voor de hier aan de orde zijnde kosten. De grief dat door gedaagde geen op de omstandigheden van appellante toegesneden onderzoek naar de noodzaak van de (resterende) kosten is gedaan, slaagt reeds daarom niet.

Omdat de door appellante gemaakte kosten niet volledig door de aanvullende ziektekostenverzekering worden gedekt, heeft gedaagde de aanvragen om bijzondere bijstand mede beoordeeld aan de hand van zijn beleid, zoals neergelegd in de Werkvoorschriften nAbw van 11 juli 2001. Volgens dat beleid kan in aanvulling op de gemaximeerde extra vergoeding voor tandheelkundige kosten ingevolge de AV Plus Amsterdam verzekering nog bijzondere bijstand worden verleend, met dien verstande dat 75% van de eerste f 400,-- (2001) respectievelijk 185,-- (2003) voor eigen rekening blijvende kosten voor vergoeding in aanmerking komt.

Gelet op het voorgaande moet dat beleid van gedaagde als buitenwettelijk, begunstigend beleid worden gekwalificeerd. Naar vaste rechtspraak van de Raad betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. De Raad stelt vast dat de besluiten 1 en 2 overeenkomstig dat beleid zijn genomen. De Raad merkt daarbij nog op dat gedaagde strikt genomen bij besluit 1 ten gunste van appellante van het beleid is afgeweken, nu zij blijkens de gedingstukken ten tijde in geding (nog) niet verzekerd was ingevolge de AV Plus Amsterdam verzekering en de extra faciliteit in de vorm van aanvullende bijzondere bijstand in principe aan aldus verzekerden was voorbehouden. De Raad zal hieraan verder voorbij gaan nu appellante ter zake zeker niet tekort is gedaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de ingestelde hoger beroepen geen doel treffen, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x