Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU9005
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting. Was de gemeente gehouden op de hoofdsom van de terugvordering de door betrokkenes partner ingevolge artikel 93, aanhef en onder a, van de Abw aan de gemeente betaalde verhaalsbijdrage in mindering te brengen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/1583 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 februari 2004, reg.nr. SBR 03/194.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante en gedaagde hebben desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 november 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham, en waar gedaagde zich - met voorafgaand bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 augustus 1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Na een melding dat appellante samenwoonde met [partner] (hierna: [partner]) heeft het Bureau Sociale Recherche van de gemeente Ede (hierna: de sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn bij diverse instanties (waaronder de gemeentelijke basisadministratie, de Rijksdienst voor het wegverkeer en het water- en energiebedrijf) inlichtingen ingewonnen, zijn observaties verricht en zijn appellante en [partner] verhoord.

Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen, welke zijn neergelegd in een rapport van 25 juli 2002, heeft gedaagde bij besluit van 3 september 2002 - voorzover hier van belang - het recht op algemene bijstand van appellante over de periode van 26 juli 2001 tot en met 31 juli 2002 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand van haar teruggevorderd tot een bedrag van 14.771,31.

Bij besluit van 7 januari 2003 heeft gedaagde het tegen het besluit van 3 september 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voorzover van belang, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 7 januari 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen deze uitspraak gekeerd voorzover deze betrekking heeft op de intrekking en de terugvordering van de aan haar verleende algemene bijstand over genoemd tijdvak. Daartoe is aangevoerd dat zij ten tijde in geding geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [partner], dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat de politierechter appellante slechts voor een deel van de betreffende periode heeft veroordeeld wegens valsheid in geschrifte en dat op het terugvorderingsbedrag ten onrechte niet de door [partner] aan gedaagde betaalde verhaalsbijdrage (in totaal 1.512,98) in mindering is gebracht.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw bepaalt dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren ().

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en [partner] een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of zij ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden bepalend of zij in die periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, waarbij dient te worden uitgegaan van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij zijn omstandigheden die tot de feitelijke woonsituatie hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Naar vaste rechtspraak van de Raad behoeft voorts het gegeven dat betrokkenen ten tijde in geding afzonderlijke (woon)adressen aanhouden niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare onderzoeksgegevens, waarvan met name de door appellante en [partner] tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen, een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en [partner] gedurende de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De Raad onderschrijft de overwegingen waarop de rechtbank dat oordeel heeft gebaseerd en voegt daaraan nog toe dat tijdens de hoorzitting in bezwaar is verklaard dat [partner] gedurende de maanden juni en juli 2002 zijn woonruimte te Ede aan een collega heeft afgestaan.

Het enkele feit dat [partner] in de periode van oktober tot en met december 2001 regelmatig zijn huisarts in Ede heeft bezocht werpt, mede gelet op de relatief korte afstand tussen [woonplaats] en Ede, geen ander licht op de zaak.

De omstandigheid dat de strafrechter appellante slechts over de periode van 1 januari 2002 tot en met 16 juli 2002 heeft veroordeeld wegens valsheid in geschrifte doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling en waardering van de feiten niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

Uit het voorgaande vloeit voort dat appellante van 26 juli 2001 tot en met 31 juli 2002 een gezamenlijke huishouding met [partner] heeft gevoerd. Daarvan heeft appellante, in strijd met de op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting, aan gedaagde geen mededeling gedaan.

De schending van de inlichtingenverplichting heeft ertoe geleid dat aan appellante over genoemd tijdvak ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is verleend. Zij kon immers over die periode niet langer worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand, zodat zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Gedaagde was dan ook, gelet op artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, verplicht het recht op bijstand van appellante over de periode van 26 juli 2001 tot en met 31 juli 2002 in te trekken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd was geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de over het tijdvak van 26 juli 2001 tot en met 31 juli 2002 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.

Appellante heeft nog betoogd dat op het van haar terug te vorderen bedrag de door [partner] betaalde verhaalsbijdrage van 1.512,98 in mindering had moeten worden gebracht. De Raad kan dit betoog niet volgen.

Ingevolge artikel 90 van de Abw wordt onder kosten van bijstand in de zin van hoofdstuk VI, paragraaf 2, verstaan de door de gemeente betaalde bijstand verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente inhoudingsplichtige is, alsmede met de ziekenfondspremie, voorzover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de Belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Anders dan appellante meent was gedaagde niet gehouden op de hoofdsom van de terugvordering de door [partner] ingevolge artikel 93, aanhef en onder a, van de Abw aan gedaagde betaalde verhaalsbijdrage in mindering te brengen. De Raad wijst er in dat verband op dat gedaagde gehouden is de kosten van bijstand in de zin van hoofdstuk VI, paragraaf 2, van de Abw terug te vorderen indien, zoals in dit geval, daarvoor een wettelijke grondslag aanwezig is. Het bedrag van die kosten moet in het besluit tot terugvordering worden opgenomen. Indien zich de situatie voordoet dat naast terugvordering tevens verhaal van gemaakte kosten van bijstand plaatsvindt, heeft het voldoen van een verhaalsbijdrage niet tot gevolg dat het in het besluit tot terugvordering opgenomen bedrag dienovereenkomstig zou moeten worden verlaagd. Een en ander heeft wel consequenties voor de invordering, omdat hetgeen als verhaalsbijdrage over dezelfde periode als waarop de terugvordering betrekking heeft is voldaan, als (voor appellante) bevrijdend betaald moet worden aangemerkt.

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) S.W.H. Peeters.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x