Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AU9235
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een maatregel van 10% en van 20% gedurende één maand omdat betrokkene onvoldoende heeft meegewerkt aan activiteiten om zijn kans op werk te vergroten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/2782 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 april 2004, reg.nr. 03/966.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Als getuige is door appellant opgeroepen en ter zitting gehoord L. Rietman te Swifterband.




II. MOTIVERING


Voor een uitvoerige weergave van de hier relevante feiten en omstandigheden en het wettelijk kader verwijst de Raad naar rubriek 2 van de aangevallen uitspraak.

Appellant ontvangt sedert 2001 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij besluit van 19 november 2002 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1 januari 2003 een tweetal maatregelen opgelegd. De eerste maatregel van verlaging van de bijstand met 10% gedurende een maand is opgelegd op de grond dat appellant niet dan wel onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden om via scholing of andere activiteiten zijn kansen te vergroten om zelf in de kosten van levensonderhoud te voorzien. De tweede maatregel van verlaging van de bijstand met 20% gedurende een maand is opgelegd op de grond dat appellant niet dan wel in onvoldoende mate heeft meegewerkt aan activiteiten die hem zijn opgedragen en die zijn kansen op werk vergroten; appellant wilde niet meewerken aan een voortraject zoals dat was voorgesteld door UW-bedrijven.

Bij besluit van 2 april 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 19 november 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 april 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad heeft, met toepassing van artikel 8:63, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet, besloten af te zien van het horen van de overige, door appellant opgeroepen, doch niet verschenen getuigen. Gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht en de in het procesdossier aanwezige gegevens kan het horen van die getuigen naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Ten gronde komt de Raad tot de volgende beoordeling.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer het volgende overwogen:
“Vaststaat dat eiser heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een onderzoek door SagEnn. Dit blijkt ook uit het rapport van 19 november 2002. Naar het oordeel van eiser kan een onderzoek door SagEnn geen nieuwe informatie verschaffen. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. SagEnn onderzoekt namens verweerder de mogelijkheden voor werk, scholing en activering. Een dergelijk onderzoek kan inzicht bieden in het arbeidsperspectief van betrokkenen en de mogelijkheden om dit te verbeteren. Verweerder mag van eiser verwachten dat hij daaraan zijn medewerking verleent. Dat eiser reeds eerder aan dergelijke onderzoeken heeft meegewerkt maakt dit niet anders. Deze onderzoeken dateren immers van enige jaren terug. Het is niet aan eiser om te concluderen dat zijn arbeidsperspectief onveranderd is. Eiser is immers niet deskundig op dit gebied. Verweerder is dan ook op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.
(…)

Met betrekking tot de opgelegde maatregel van 20% gedurende een maand wegens het niet voldoende meewerken aan voor de inschakeling in arbeid noodzakelijke activiteiten, overweegt de rechtbank dat zij het op grond van de door verweerder overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk acht dat aan eiser een concreet trajectvoorstel is gedaan, welke na een succesvolle beëindiging zou leiden tot een betaalde werkkring. Door de weigerachtige houding van eiser heeft de uitwerking van het traject geen doorgang gevonden en heeft UW Holding B.V. de begeleiding van eiser vroegtijdig beëindigd. Gelet hierop is verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiser in onvoldoende heeft meegewerkt aan activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.”

De Raad kan zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit is gebaseerd geheel verenigen. Hetgeen door appellant in hoger beroep nog is aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander standpunt. Van een dwingend opgelegde hulpverlening door UW Holding B.V. voor een verondersteld psychosociale problematiek, zoals appellant aanvoert, is geen sprake. Gelet op de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is met het door UW Holding B.V. voorgestelde traject beoogd dat appellant gedurende het voortraject vrijwilligerswerk zou verrichten onder deskundige begeleiding. Gedurende het traject zou bezien kunnen worden of, en zo ja in welke mate, anderszins deskundigenhulp geboden is.

De Raad ziet in de gedingstukken geen grond om aan te nemen dat voormelde gedragingen appellant niet zouden kunnen worden verweten. Hieruit vloeit voort dat gedaagde op grond van artikel 14, eerste lid, van de Abw gehouden was om een maatregel op te leggen.

Gedaagde heeft deze gedragingen terecht gekwalificeerd als vallend onder respectievelijk de tweede en derde categorie van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz en terecht de uitkering van appellant verlaagd, wat de gedraging in de tweede categorie betreft gedurende een maand met 10% en wat de gedraging in de derde categorie betreft gedurende een maand met 20%.

Voor een matiging op grond van artikel 14, tweede lid, eerste volzin, van de Abw ziet de Raad geen aanleiding

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x