Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV0140
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het niet behandeling nemen van een onvolledige of ongenoegzame bijstandsaanvraag. Terugvordering van een verleend voorschot.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/4321 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2004, reg.nr. NABW 03/3376.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 04/4320 NABW, behandeld ter zitting van 22 november 2005, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S. van Boxel, werkzaam bij de gemeente Capelle aan den IJssel. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 10 maart 2003 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. Gedaagde heeft aan appellant over maart 2003 een voorschot verleend tot een bedrag van € 640,--. Op 15 april 2003 is met het oog op de beoordeling van de aanvraag op het adres van appellant een onaangekondigd huisbezoek afgelegd waarbij werd geconstateerd dat de woning leegstond. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde appellant bij brief van 22 april 2003 uitgenodigd om op 25 april 2003 gegevens over zijn huidige woonsituatie te overleggen. Hierbij is appellant meegedeeld dat, indien hij de gevraagde gegevens niet tijdig overlegt, de aanvraag niet in behandeling zal worden genomen.

Bij besluit van 7 mei 2003 heeft gedaagde de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten op de grond dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van gedaagde om nadere inlichtingen te verstrekken. Tevens heeft gedaagde het verleende voorschot met toepassing van artikel 80 van de Abw van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 3 oktober 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2003 gegrond verklaard voorzover dat betrekking heeft op de terugvordering van het verleende voorschot, dat besluit in zoverre wegens een onjuiste wettelijke grondslag vernietigd, de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand gelaten en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 3 oktober 2003 in stand zijn gelaten en het beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Het niet behandelen van de aanvraag van 10 maart 2003

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag, indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede beoordeling van de zaak mogelijk maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

De Raad stelt aan de hand van de gedingstukken vast dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging van gedaagde om op 25 april 2003 gegevens over zijn huidige woonsituatie te overleggen.

Gelet op de destijds bestaande onduidelijkheid omtrent de woonsituatie van appellant heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat appellant niet over de gevraagde gegevens beschikte of redelijkerwijs kon beschikken en deze niet tijdig kon overleggen. Dat appellant zoals gesteld als gevolg van psychische decompensatie niet in staat was gehoor te geven aan de uitnodigingen en de gegevens niet kon overleggen, acht de Raad niet aannemelijk gemaakt. Uit de door appellant overgelegde brief van de huisarts van 7 mei 2003 blijkt weliswaar dat hij stressklachten had, maar niet dat hij als gevolg daarvan ten tijde hier van belang buiten staat was gedaagde juist en volledig over zijn woon- en leefsituatie te informeren. De Raad hecht in dit verband betekenis aan de Rapportage Medisch Onderzoek van Argonaut van 11 februari 2003. Daaruit blijkt dat appellant psychische klachten had, maar dat deze klachten geen grote beperkingen in het dagelijks leven opleverden.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde bevoegd was om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. De Raad ziet voorts geen grond om te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.



Terugvordering

De Raad zal vervolgens bezien of er, gegeven de - in hoger beroep niet aangevochten - vernietiging door de rechtbank van het besluit van 3 oktober 2003 voorzover dat betrekking heeft op de terugvordering, aanleiding is de rechtsgevolgen van dat vernietigde gedeelte in stand te laten.

Ingevolge artikel 80 van de Abw vorderen burgemeester en wethouders een op grond van artikel 74 verleend voorschot terug van de belanghebbende voorzover zij na onderzoek vaststellen dat over de betreffende periode geen recht op bijstand bestaat. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 15 juni 2004, LJN AP1847) kunnen op grond van artikel 80 van de Abw alleen die voorschotten worden teruggevorderd die zijn verstrekt gedurende de in artikel 68 van de Abw neergelegde beslistermijn. Voorts heeft de Raad in zijn uitspraak van 13 mei 2003 (LJN AI6111) beslist dat het in overeenstemming met de strekking van artikel 80 van de Abw is om het geval waarin de aanvraag niet heeft geleid tot toekenning van een recht op bijstand, omdat toepassing is gegeven aan artikel 4:5 van de Awb, op één lijn te stellen met dat waarin wel is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat. De Raad stelt vervolgens op grond van de gedingstukken vast dat het voorschot over maart 2003 aan appellant is verleend op een moment dat de termijn om een besluit te nemen op de aanvraag van 10 maart 2003 nog niet was verstreken. Anders dan de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat gedaagde op grond van artikel 80 van de Abw gehouden was dit voorschot van hem terug te vorderen.

In hetgeen namens appellant is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Gelet hierop komt de Raad, zij het op andere gronden dan de rechtbank, tot de slotsom dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 3 oktober 2003 in stand moeten worden gelaten.

Slotoverwegingen

De aangevallen uitspaak komt, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x