Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV0184
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand. Vergoedingen voor het testen van de werking van medicijnen. Het patroon en de hoogte van de inkomensverwerving geven aanleiding de algemene bijstand over een langere periode dan een kalendermaand vast te stellen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/3032 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Intergemeentelijke Sociale Dienst Zuidwest-Fryslân, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2005 oefent gedaagde de taken en bevoegdheden in het kader van onder andere de Algemene bijstandswet uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bolsward. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bolsward.

Namens appellant heeft mr. J.J. Achterveld, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 april 2004, reg. nr. 03/360 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 november 2005, waar appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J. Schaafsma en A. Hornstra, beiden werkzaam bij gedaagde.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft appellant van 17 juni 1999 tot en met 31 juli 2001 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) verleend naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst dat appellant in genoemde periode inkomsten had gehad, heeft het Bureau Sociale Recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek, in het kader waarvan appellant is gehoord, zijn neergelegd in een rapport van 1 juli 2002.

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft gedaagde onder verwijzing naar onder meer de artikelen 27, derde lid, en 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 juli 2001 herzien. Tevens heeft gedaagde bij dat besluit met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw de over genoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 19.138,47 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 8 april 2003 is het tegen het besluit van 29 oktober 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard met dien verstande dat het teruggevorderde bedrag op € 17.711,73 is vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak, voorzover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 april 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft gesteld dat gedaagde ten onrechte artikel 27, derde lid, van de Abw heeft toegepast en ten onrechte zijn bruto inkomsten in aanmerking heeft genomen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 27, eerste lid, van de Abw bepaalt dat de algemene bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld. Ingevolge het derde lid van dat artikel kan gedaagde besluiten de algemene bijstand over een langere periode vast te stellen voorzover het patroon van de inkomstenverwerving en de hoogte daarvan daartoe aanleiding geeft.

Uit het rapport van het Bureau Sociale Recherche blijkt dat appellant in de periode waarin hij bijstand ontving, zonder hiervan aan gedaagde mededeling te hebben gedaan, van drie bedrijven vergoedingen heeft ontvangen ter zake van zijn medewerking aan het testen van de werking van medicijnen. Hij heeft van de drie bedoelde bedrijven in de maanden augustus, oktober en december 1999, januari, februari, juni, juli, augustus en november 2000, en januari, april, mei en juli 2001 vergoedingen ontvangen, variërend van f 50,-- tot f 4.500,-- per maand, tot een totaalbedrag van f 29.325,--.

Met de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat, uitgaande van voormelde gegevens, het patroon en de hoogte van de inkomensverwerving van appellant in de in geding zijnde periode aanleiding geven de algemene bijstand over een langere periode dan een kalendermaand vast te stellen. De wijze waarop gedaagde in het geval van appellant van de hem ter zake toekomende bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, kan de aan de Raad toekomende beperkte toetsing doorstaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, met name dat voor verschillende bedrijven werd gewerkt en dat tevoren niet vaststond of en in welke omvang er werk zou zijn, ziet de Raad geen grond om te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de algemene bijstand vast te stellen over de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 juli 2001.

Voorts is de Raad van oordeel dat gedaagde bij de vaststelling van de inkomsten van appellant terecht is uitgegaan van de door de bedrijven verstrekte gegevens. Indien het daarbij zou gaan om bruto-inkomsten, dan kan appellant zich onder overlegging van de gegevens waaruit dat blijkt, met een beroep op artikel 45 van de Abw tot gedaagde wenden en voor de betreffende belastingaanslagen bijzondere bijstand aanvragen.

Nu vaststaat dat appellant, in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting, van zijn inkomsten aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan, betekent dit dat gedaagde gehouden was om het recht op bijstand met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw te herzien. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende reden op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn van herziening af te zien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was de over de periode in geding gemaakte kosten van bezwaar van appellant terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd is geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x