Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV0678
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen detentie en verzwegen vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens. Schending van de inlichtingenverplichting. Is het vermogen juist vastgesteld? Omvang van het geding.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/5679 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. J.A.W. Enoch, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 augustus 2004, reg.nr. 03/1722.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 december 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Enoch, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren, werkzaam bij de gemeente Utrecht.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving ten tijde hier van belang een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Uit door de afdeling Fraudebestrijding van de gemeente Utrecht verricht onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand is naar voren gekomen dat appellant met zijn broer [naam broer] op 14 februari 2001 een woning heeft gekocht te Herne in Duitsland en dat appellant van 18 juni 2001 tot en met 25 juli 2002 in dat land gedetineerd is geweest. In september/oktober 2002 is deze woning terugverkocht aan de toenmalige eigenaren.
Hierin heeft gedaagde aanleiding gezien om bij besluit van 11 december 2002 het recht op bijstand van appellant over de perioden van 14 februari 2001 tot en met 30 november 2001 en van 5 februari 2002 tot en met 30 september 2002 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van 19.543,62 van hem terug te vorderen. Aan dat besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat het vermogen van appellant wegens zijn aandeel in de eigendom van genoemde woning hoger is dan de voor hem geldende vermogensgrens, alsmede dat appellant gedetineerd is geweest. Een en ander staat volgens gedaagde aan bijstandsverlening in de weg.

Bij besluit van 27 mei 2003 heeft gedaagde het tegen het besluit van 11 december 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 mei 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat gedaagde gehouden was tot intrekking op de grond dat appellant door geen melding te maken van zijn aandeel in de eigendom van genoemde woning en de detentie, niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij een oordeel is gegeven over van hem in aanmerking te nemen vermogen, bestaande uit een aandeel in de eigendom van bovenvermelde woning. Hij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat de rechtbank gelet op de door haar gebezigde toetsingsgrond buiten de omvang van het geding is getreden. Voorts heeft hij herhaald dat hij ten tijde van belang niet beschikte over een vermogen dat de voor hem geldende vermogensgrens overschreed. Volgens appellant had de koop louter erfrechtelijke redenen en is hij er financieel niet beter van geworden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar aanleiding van de eerste grief van appellant stelt de Raad vast dat de rechtbank haar oordeel niet heeft gebaseerd op de door gedaagde aan de intrekking ten grondslag gelegde grond. Naar vaste jurisprudentie van de Raad, waartoe de Raad bijvoorbeeld verwijst naar zijn uitspraak van 15 november 2005 (LJN AU6381), verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. Voorzover de rechtbank mocht hebben beoogd aldus toepassing te geven aan artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, wijst de Raad erop dat deze bepaling uitsluitend ziet op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het beroep en dus niet van (de motivering van) het in beroep bestreden besluit.

De Raad ziet, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste (en tweede) lid, van de Awb van openbare orde is, in het voorgaande aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen.

De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en de in beroep aangevoerde beroepsgronden bespreken, met inachtneming van het gegeven dat de juistheid van de intrekking van het recht van appellant over de eerder genoemde periode gedurende welke appellant gedetineerd is geweest niet wordt betwist.

Uit de door appellant overgelegde koopakte betreffende de woning te Herne blijkt dat appellant deze woning met zijn broer op 14 februari 2001 heeft gekocht voor een bedrag van DM 480.000,--. Gedaagde heeft, nu niet is gebleken van een andere eigendomsverhouding, terecht de helft van dit bedrag tot het vermogen van appellant gerekend. Uit de koopakte volgt voorts de verplichting voor de kopers om de koopsom vanaf 1 maart 2001 in 96 termijnen aan de verkopers te betalen. Gedaagde heeft deze schuld ten onrechte niet op het vastgestelde vermogen in mindering gebracht. Schulden, waarvan het bestaan aannemelijk is en waarvoor daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling bestaat, dienen immers volgens vaste jurisprudentie van de Raad bij de vermogensvaststelling te worden betrokken.

Het voorgaande brengt mee dat niet is gebleken dat appellant ten tijde van belang beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen dat hoger was dan het voor hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen. Het besluit van 27 mei 2003 berust derhalve wat de intrekking van het recht op bijstand over de tijdvakken van 14 februari 2001 tot en met 17 juni 2001 en van 26 juli 2002 tot en met 30 september 2002 betreft niet op een deugdelijke motivering. Het beroep tegen het besluit van 27 mei 2003 dient derhalve gegrond te worden verklaard en dit besluit komt in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

De Raad ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 27 mei 2003 in stand blijven.
Daartoe overweegt de Raad dat blijkens de gedingstukken, waaronder de koopakte, ten tijde van belang sprake was van verhuur van de woning. Als mede-eigenaar had appellant aanspraak op inkomsten uit de verhuur. Gelet hierop volgt de Raad appellant niet in zijn stelling dat zijn aandeel in de woning niet van invloed was op de middelen waarover hij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken.

Door geen melding te maken van deze inkomsten heeft appellant niet voldaan aan de inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dit brengt mee dat gedaagde gehouden was met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw tevens het recht op bijstand van appellant over de perioden van 14 februari 2001 tot en met 17 juni 2001 en van 26 juli 2002 tot en met 30 september 2002 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw.

Uit hetgeen met betrekking tot de intrekking is overwogen vloeit voort dat over de gehele periode van 14 februari 2001 tot en met 30 september 2002 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over deze periode. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 644,-- in beroep en 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 27 mei 2003 voorzover het betreft de intrekking van het recht op bijstand over de perioden van 14 februari 2001 tot en met 17 juni 2001 en van 26 juli 2002 tot en met 30 september 2002;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 27 mei 2003 in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 1.288,-- te betalen door de gemeente Utrecht aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 133,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x