Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV2072
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten in verband met medebewoning. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/6590 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 oktober 2004, reg.nr. 03/729 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Appellant heeft eveneens nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zundert, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. Jeurink, werkzaam bij de gemeente Enschede.




II. MOTIVERING


Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving van 29 november 2001 tot 1 oktober 2002 van gedaagde een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Op zijn rechtmatigheidsonderzoeksformulier (hierna: rof) over de maand maart 2002 heeft appellant aangegeven dat hij sinds 5 maart 2002 een medebewoner heeft. Naar aanleiding van deze mededeling heeft gedaagde appellant bij brief van 26 maart 2002 medegedeeld dat hij de inkomsten in verband met medebewoning dient op te geven op zijn rof's.

Na melding door de politie aan gedaagde van een op handen zijnde ontruiming op 10 september 2002 van het door appellant bewoonde kraakpand aan het adres [adres] te Enschede wegens illegale kamerverhuur, is door de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van 19 november 2002, zijn voor gedaagde aanleiding geweest om bij besluit van 21 november 2002 het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 mei 2002 tot en met 30 september 2002 in te trekken en de over dat tijdvak gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.662,82 van appellant terug te vorderen. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen juiste opgave te doen van het aantal medebewoners alsmede van de in verband hiermee genoten inkomsten en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over de periode in geding niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 30 juni 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 21 november 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 juni 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uit de rapportage van de sociale recherche van 19 november 2002 en de daarbij behorende bijlagen blijkt dat vier medebewoners van bovenvermelde woning op 10 september 2002 tegenover twee politieambtenaren hebben verklaard dat zij gedurende een deel van de periode in geding bij appellant inwoonden en hem hiervoor geld hebben betaald. Voorts bevinden zich onder de gedingstukken twee tussen appellant en medebewoners opgemaakte contracten, waarin de afspraken in verband met de inwoning bij appellant zijn vastgelegd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de hiervoor genoemde gegevens voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat ten tijde in geding sprake was van medebewoning en van verworven inkomsten, waarvan appellant op de over de hier in geding zijnde maanden betrekking hebbende rof's geen melding heeft gemaakt. De Raad kan zich met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak ter zake heeft overwogen geheel verenigen. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat als gevolg van de schending van de wettelijke inlichtingenverplichting niet meer kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate appellant over de in geding zijnde periode recht op bijstand had en onderschrijft ook hetgeen dienaangaande in de aangevallen uitspraak is overwogen.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden. De gestelde omstandigheid dat appellant een telefoonverbod had en het gebouw van de sociale dienst niet mocht betreden neemt niet weg dat hij op de desbetreffende rof’s onvolledige of onjuiste informatie heeft verstrekt omtrent medebewoning en de bedragen die hij van zijn medebewoners heeft ontvangen. De stelling dat appellant geen huur zou hebben ontvangen van zijn medebewoners komt de Raad, gelet op de gedingstukken, niet geloofwaardig voor.

Gelet op het vorenstaande was gedaagde gehouden om met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw over de in geding zijnde periode tot intrekking van het recht op bijstand van appellant over te gaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd was daarvan af te zien.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was de gemaakte kosten van bijstand over de maanden mei 2002 tot en met september 2002 van appellant terug te vorderen. De Raad tekent daarbij nog aan dat niet langer wordt betwist dat (ook) over de maand september 2002 bijstand aan appellant betaalbaar is gesteld en dat de bijstand over die maand door gedaagde niet terug is ontvangen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad ook geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet tenslotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x