Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Rww / Abw
x
LJN:
x
AV2074
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning Rww-uitkering onder verband van krediethypotheek. Weigering om terug te komen van het in rechte onaantastbaar geworden toekenningsbesluit omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Heeft betrokkene terecht aangevoerd dat de toeziend voogdes niet heeft getekend voor de vestiging van de krediethypotheek, dat de krediethypotheek niet binnen de wettelijke termijn is gevestigd en dat er gelet op artikel 3:226 van het BW geen hypotheek kan worden gevestigd op vruchtgebruik?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/6864 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasbree, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M.N. van Geenen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 november 2004, reg.nr. 04/177 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 januari 2006, waar appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door S.R. Schipperheijn, werkzaam bij de gemeente Maasbree.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 21 april 1994 is aan appellante met ingang van 1 februari 1994 een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (Rww) toegekend onder verband van krediethypotheek. Bij besluit van 1 november 1994 is het tegen dit besluit ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.

Op 21 juli 2003 heeft appellante gedaagde verzocht terug te komen van het besluit van 21 april 1994. Bij besluit van 11 september 2003 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen. Hiertoe heeft gedaagde overwogen dat appellante in haar verzoek geen feiten of omstandigheden heeft vermeld die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld of destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht. Gedaagde heeft tevens overwogen dat het besluit van 21 april 1994 niet evident onjuist is.

Bij besluit van 13 januari 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 11 september 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 januari 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellante strekt ertoe dat gedaagde terugkomt van zijn eerdere besluit van 21 april 1994. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden omdat appellante geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 1 november 1994 waarbij het bezwaar tegen het besluit van 21 april 1994 ongegrond is verklaard.

Ingevolge in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Bij haar verzoek heeft appellante aangevoerd dat de toeziend voogdes niet heeft getekend voor de vestiging van de krediethypotheek, dat de krediethypotheek niet binnen de wettelijke termijn is gevestigd en dat er gelet op artikel 3:226 van het Burgerlijk Wetboek geen hypotheek kan worden gevestigd op vruchtgebruik. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het hier niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin, aangezien deze argumenten reeds in bezwaar tegen het besluit van 21 april 1994 naar voren hadden kunnen worden gebracht.

Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 21 april 1994. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 december 2003 (LJN AN9805) wijst de Raad er voorts nog op dat (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit als zodanig geen beslissende rol speelt.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x