Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV2323
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting. Betrokkene heeft met haar echtgenoot een gezin gevormd en niet duurzaam gescheiden van hem geleefd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/3874 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. P.J.M. van den Heuvel, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 juni 2004, reg.nr. 03/1597 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 januari 2006, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door K. Alvers, werkzaam bij de gemeente Oosterhout.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante is op 9 november 1995 gehuwd met [naam echtgenoot] (hierna: [naam echtgenoot]). Appellante en [naam echtgenoot] hebben twee kinderen die [in] 1996 respectievelijk [in] 1998 zijn geboren.

Met ingang van 14 september 1999 heeft gedaagde appellante een bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend, berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Naar aanleiding van meldingen dat appellante zou werken en dat haar echtgenoot bij haar zou wonen heeft de Afdeling Fraudebestrijding van de gemeente Breda een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, is diverse instanties om inlichtingen verzocht, is een huisbezoek aan de woning van appellante gebracht en zijn appellante en [naam echtgenoot] gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 november 2002.

De onderzoeksbevindingen zijn voor gedaagde aanleiding geweest om bij besluit van 9 januari 2003 het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 december 2001 tot en met 31 oktober 2002 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.334,92 van appellante terug te vorderen. Die besluitvorming berust op de overweging dat appellante gedurende de genoemde periode, zonder daarvan aan gedaagde mededeling te hebben gedaan, met haar echtgenoot een gezin heeft gevormd en niet duurzaam gescheiden van hem heeft geleefd.

Bij besluit van 2 juli 2003 heeft gedaagde het tegen het besluit van 9 januari 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie voor de bezwaarschriften sociale zekerheid heeft gedaagde zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellante en haar echtgenoot gezien artikel 3, derde en vierde lid, van de Abw geacht moeten worden in de aan de orde zijnde periode een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 juli 2003 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gedaagde heeft het besluit van 2 juli 2003 gebaseerd op artikel 3, derde en vierde lid, van de Abw. Die bepaling is uitsluitend van toepassing op personen die niet met elkaar gehuwd zijn. Aangezien appellante en [naam echtgenoot] ten tijde in geding met elkaar gehuwd waren, berust het besluit van 2 juli 2003 op een onjuiste wettelijke grondslag. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en dient tevens, onder gegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep, het besluit van 2 juli 2003 te worden vernietigd.

De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, beantwoordt de Raad op grond van de volgende overwegingen bevestigend.
Zoals hiervoor reeds is opgemerkt was appellante ten tijde van belang gehuwd met [naam echtgenoot].

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw wordt als ongehuwd (mede) aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Abw blijkt dat van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake is indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

De Raad is gelet op de bevindingen van het onderzoek van de Afdeling Fraudebestrijding van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellante ten tijde van belang niet duurzaam gescheiden van haar echtgenoot leefde. De Raad heeft daarbij met name van belang geacht dat [naam echtgenoot] heeft verklaard dat hij (in elk geval) sedert december 2001 na zijn werk naar de woning van appellante gaat, daar af en toe eet, er slaapt en van daaruit weer naar zijn werk gaat. Die verklaring spoort met de door appellante afgelegde verklaring en vindt bevestiging in de uitgevoerde observaties. Appellante en [naam echtgenoot] dienden dan ook ingevolge artikel 4, aanhef en onder c, van de Abw te worden aangemerkt als een gezin. Appellante had derhalve in het in geding zijnde tijdvak geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Aangezien appellante gedaagde, in strijd met de ingevolge artikel 65 van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting, niet heeft meegedeeld dat zij met haar echtgenoot (weer) een gezin vormde, is de bijstand over de in geding zijnde periode terecht ingetrokken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw zodat gedaagde niet bevoegd was van intrekking af te zien.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw zodat gedaagde gehouden was de ten behoeve van appellante over de in geding zijnde periode gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad ook geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw. Appellante heeft betoogd dat haar echtgenoot uitsluitend bij haar verbleef in verband met de veiligheid van de kinderen. De Raad merkt dienaangaande op dat dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van sociale of financiële consequenties voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In het geval van appellante is de Raad van consequenties als hiervoor bedoeld niet gebleken.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juli 2003 gegrond en vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Oosterhout aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Oosterhout aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x