Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV2348
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Indien de mogelijkheid van beroep, en daaraan voorafgaand eventueel bezwaar, ter zake van een bepaalde schadeveroorzakende gedraging/behandeling ontbreekt, zoals in het onderhavige geval, is de burgerlijke rechter bevoegd ten gronde over de schadebeslissing te oordelen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/6872 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2004, reg.nr. 04/5514 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt een bijstandsuitkering. Op 8 oktober 2002 heeft hij bij gedaagde een klacht als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend over de wijze waarop medewerkers van de Sociale Dienst Amsterdam hem behandelen en met zijn gegevens omgaan. Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hem niet is gebleken van een verzuim van de Sociale Dienst Amsterdam jegens appellant.

Bij brief van 18 december 2002 heeft appellant gedaagde verzocht om vergoeding van de schade die hij naar zijn oordeel lijdt dan wel heeft geleden door de gedragingen waarover hij zich in zijn brief van 8 oktober 2002 heeft beklaagd.

Bij beslissing van 21 maart 2003 heeft gedaagde het verzoek van appellant afgewezen op de grond dat hem niet is gebleken van een behandeling door de Sociale Dienst Amsterdam die appellant schade zou hebben toegebracht.

Appellant heeft tegen de beslissing van 21 maart 2003 bij brief van 27 maart 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen de beslissing van 21 maart 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van de bezwaren van appellant tegen de beslissing van gedaagde van 21 maart 2003.

Zoals eerder is vermeld heeft het verzoek om schadevergoeding van appellant betrekking op schade die het gevolg zou zijn van gedragingen van medewerkers van de Sociale Dienst Amsterdam waarover appellant zich met toepassing van artikel 9:1 van de Awb bij gedaagde heeft beklaagd.

De Awb biedt appellant niet de mogelijkheid om tegen bedoelde gedragingen bezwaar te maken of beroep in te stellen. Ingevolge artikel 9:3 van de Awb staat ook tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een bestuursorgaan geen beroep open.
Omdat in het onderwerpelijke geval de mogelijkheid van bezwaar en beroep ter zake van de gestelde schadeveroorzakende gedragingen ontbreekt, is ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad ook de beslissing van gedaagde op het onderhavige verzoek van appellant om schadevergoeding niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Indien de mogelijkheid van beroep, en daaraan voorafgaand eventueel bezwaar, ter zake van een bepaalde schadeveroorzakende gedraging/behandeling ontbreekt, zoals in dit geval, is de burgerlijke rechter bevoegd ten gronde over de schadebeslissing te oordelen.

Gezien het vorenstaande had gedaagde bij het besluit van 19 augustus 2004 appellant niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn bezwaren tegen de beslissing van 21 maart 2003.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dit niet onderkend zodat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten, het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2004 gegrond dient te worden verklaard en dat besluit dient te worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van appellant tegen de beslissing van gedaagde van 21 maart 2003 niet-ontvankelijk verklaren.

Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht omtrent het naar zijn oordeel schadeveroorzakende handelen van gedaagde moet gelet op het voorgaande buiten bespreking blijven.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 11,60 wegens reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 19 augustus 2004;
Verklaart het bezwaar tegen de beslissing van 21 maart 2003 niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 11,60;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 139,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x