Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV2648
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het bezwaar van betrokkene, dat uitsluitend ziet op de van rechtswege aan de bijstand verbonden arbeidsverplichtingen, is niet gericht tegen een (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/4814 NABW en 04/5348 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal,




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 augustus 2004, reg.nr. 04/132 NABW.

Namens het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal (hierna: het College) heeft mr. R. Lever, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

[betrokkene] en het College hebben een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn, gevoegd met het geding met reg.nr. 05/2355 NABW, behandeld ter zitting van 6 december 2005, waar [betrokkene] niet is verschenen en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door J.W.D. van Deutekom en mr. R.P. Heilig, beiden werkzaam bij de gemeente Bloemendaal, bijgestaan door mr. F. Spijker, advocaat te Leiden. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Het College heeft bij besluit van 20 februari 2001 aan [betrokkene] met ingang van 8 januari 2001 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend, berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Voorts is bij dit besluit aan [betrokkene] met toepassing van artikel 107, tweede lid, van de Abw vrijstelling verleend van de verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw.

Bij besluit van 26 september 2003 heeft het College aan [betrokkene] meegedeeld dat met ingang van 19 september 2003 de vrijstelling ingevolge artikel 107, tweede lid, van de Abw is komen te vervallen. Aan dat besluit wordt het volgende ontleend:
U ontvangt een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De Abw verbindt aan deze uitkering verplichtingen die er op gericht zijn dat u zo spoedig mogelijk weer zelf in uw kosten van het bestaan kunt voorzien (art. 113 Abw).
()
U bent vrijgesteld van deze verplichtingen omdat u een of meer ten laste van u komende kinderen verzorgt die jonger zijn dan vijf jaar. Vanaf 19 september 2003 komt deze vrijstelling te vervallen omdat uw (jongste) kind vijf jaar is geworden. U moet nu volledig aan deze verplichtingen voldoen (art. 107 Abw).

Bij besluit van 6 januari 2004 heeft het College het door [betrokkene] tegen het besluit van 26 september 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 6 januari 2004 gegrond verklaard.

[betrokkene] en het College hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad stelt allereerst ambtshalve vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond heeft verklaard, doch nagelaten heeft het besluit van 6 januari 2004 geheel of gedeeltelijk te vernietigen. In zoverre heeft de rechtbank in strijd met artikel 8:72, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

De Raad ziet zich vervolgens, ambtshalve, gesteld voor de vraag of het College het bezwaar van [betrokkene] terecht ontvankelijk heeft geacht. Op grond van de volgende overwegingen beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

Uit artikel 113, eerste lid, van de Abw vloeit voort dat de daarin opgenomen verplichtingen van rechtswege aan de bijstand zijn verbonden. Ten tijde van het besluit van 26 september 2003 golden deze verplichtingen voor [betrokkene], na de eerder verleende ontheffing, onverkort. De in het besluit van 26 september 2003 vervatte mededeling dat [betrokkene] vanaf 19 september 2003 volledig aan de in artikel 113, eerste lid, van de Abw neergelegde verplichtingen dient te voldoen, strekt er dan ook slechts toe [betrokkene] aan de gelding van die verplichtingen te herinneren en is mitsdien niet op enig zelfstandig rechtsgevolg gericht. De Raad ziet voorts geen aanleiding deze mededeling op te vatten als een ambtshalve weigering van het College om [betrokkene], met toepassing van artikel 107, eerste lid, van de Abw, van die verplichtingen (opnieuw) geheel of gedeeltelijk ontheffing te verlenen, reeds omdat enige daarop gerichte beoordeling ontbreekt.

Het bezwaar van [betrokkene], dat uitsluitend ziet op de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling, was derhalve niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij bepalingen zijn gegeven omtrent griffierecht en proceskosten, dient te worden vernietigd. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het besluit van 6 januari 2004 dient te worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

De Raad merkt nog op dat [betrokkene] zich desgewenst tot het College kan wenden met het verzoek haar geheel of gedeeltelijk tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij is beslist omtrent griffierecht en proceskosten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 6 januari 2004;
Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat de gemeente Bloemendaal aan [betrokkene] het in hoger beroep betaalde griffierecht van 102,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar
op 17 januari 2006.

(get.) R.M. van Male.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x