Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV7663
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De bijstandsaanvraag is buiten behandeling gelaten wegens het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van de gevraagde gegevens.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/491 NABW en 05/542 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 december 2004, reg.nr. 04/712 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 februari 2006, waar appellanten - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H. Anema-Smit, werkzaam bij de gemeente Dronten.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad, gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellanten hebben op 15 september 2003 bij gedaagde een aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit van 25 november 2003, waarbij gedaagde de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling heeft gelaten op de grond dat appellanten niet binnen de door gedaagde gestelde termijn nadere gegevens hebben verstrekt waarom gedaagde onder meer bij brief van 20 oktober 2003 had verzocht.

Bij besluit van 23 april 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2003 ongegrond verklaard. Hierbij heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat appellanten de op elk van hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen dan wel onvoldoende gegevens te verstrekken, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 november 2002 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde terecht heeft besloten de aanvraag van appellanten buiten behandeling te laten.

Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat het besluit van 23 april 2004 een inhoudelijke beoordeling bevat. Gedaagde heeft zich immers op het standpunt gesteld dat appellanten niet aan de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende inlichtingenverplichting hebben voldaan, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad vormt het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de inlichtingenverplichting van artikel 65 van de Abw in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Abw een rechtsgrond voor weigering dan wel beŽindiging van de bijstand, wanneer door die schending het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld.

De Raad is van oordeel dat appellanten onvoldoende duidelijkheid hebben verschaft over hun financiŽle omstandigheden. De Raad wijst in dit verband in het bijzonder op het ontbreken van verifieerbare gegevens met betrekking tot de beŽindiging van het eigen bedrijf van appellant, alsmede op het ontbreken van een verklaring betreffende de kasstortingen. De enkele stelling van appellanten dat de kasstortingen het gevolg zijn van de verkoop van een personenauto en een bedrijfsauto acht de Raad onvoldoende.

Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat appellanten niet hebben voldaan aan de inlichtingenverplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw, en voorts dat als gevolg hiervan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, appellanten verkeerden in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw. Gedaagde heeft de aanvraag van appellanten om bijstand dan ook terecht afgewezen. In hetgeen overigens door appellanten is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van L. JŲrg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2006.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) L. JŲrg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x