Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV7742
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand op de grond dat betrokkene de stortingen op zijn rekening niet heeft gemeld, dat de herkomst van de bijschrijvingen niet is te achterhalen en dat deze stortingen als inkomsten worden aangemerkt. Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/7122 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. J.J. Achterveld, werkzaam bij Rechtshulp Noord, bureau Friesland, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 november 2004, reg.nr. 04/327 WWB.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd aan de Raad nadere stukken gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 februari 2006, waar voor appellant is verschenen mr. Achterveld, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt een bijstandsuitkering. In augustus 2002 heeft een heronderzoek plaatsgevonden naar de voor het recht op bijstand van belang zijnde gegevens. Omdat appellant daarbij geen afschriften van zijn girorekening kon overleggen, heeft gedaagde bij besluit van 1 augustus 2002 het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2002 opgeschort. Uit de nadien door appellant alsnog overgelegde afschriften is gedaagde gebleken dat in de periode van mei 2002 tot en met juli 2002 op de rekening van appellant diverse bedragen zijn gestort tot een totaal van 1.595,--.
Aangezien appellant vervolgens niet heeft voldaan aan het verzoek van gedaagde om bewijs te leveren over de herkomst van de geldstortingen heeft gedaagde bij besluit van 24 september 2002 de uitkering van appellant met toepassing van artikel 69, vierde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 augustus 2002 ingetrokken.

Bij besluit van 17 april 2003 heeft gedaagde onder overneming van het advies van de Commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften (hierna: de Commissie) van 22 januari 2003 het bezwaar tegen de besluiten van 1 augustus 2002 en 24 september 2002 gegrond verklaard en die besluiten ingetrokken.

Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 mei 2002 tot en met 31 juli 2002 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van 2.280,94 van hem teruggevorderd. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant de stortingen op zijn rekening niet heeft gemeld, dat de herkomst van de bijschrijvingen niet is te achterhalen en dat deze stortingen als inkomsten worden aangemerkt. Tevens heeft gedaagde bij dat besluit appellant een boete opgelegd van 231,--.

Bij besluit van 6 mei 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep tegen het besluit van 6 mei 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voorzover het beroep tegen het besluit van 6 mei 2004 ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellant stelt zich primair op het standpunt dat met het besluit van 17 april 2003 sprake is (geweest) van een afgeronde besluitvorming. Gedaagde is geheel tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant en heeft het besluit van 24 september 2002 ingetrokken. Gelet hierop heeft gedaagde het recht verwerkt om op basis van hetzelfde feitencomplex opnieuw te beslissen over het recht op bijstand.

De Raad kan appellant hierin niet volgen. In haar advies van 22 januari 2003 aan gedaagde heeft de Commissie de vraag of het recht op bijstand terecht met ingang van 1 augustus 2002 met toepassing van artikel 69, eerste en vierde lid, van de Abw respectievelijk is opgeschort en ingetrokken, ontkennend beantwoord. De Commissie houdt het er voor dat de ontbrekende informatie betrekking heeft op de periode van mei 2002 tot en met juli 2002 en niet van direct belang was voor de beoordeling van het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2002. Naar het oordeel van de Commissie ligt het in deze situatie meer voor de hand om te bezien in hoeverre als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellant over de periode van mei 2002 tot en met juli 2002 toepassing dient te worden gegeven aan de artikelen 69, derde lid, aanhef en onder a, en 81, eerste lid, van de Abw.

Naar het oordeel van de Raad valt niet in te zien dat gegeven dit advies van de Commissie van 22 januari 2003 het gedaagde in het onderhavige geval niet vrijstond om, nadat hij bij het besluit van 17 april 2003 het besluit van 24 september 2002 had ingetrokken, niet alsnog op basis van dezelfde feiten en omstandigheden het besluit van 9 oktober 2003 te nemen. Door alsnog bij dat besluit over te gaan tot herziening van het recht op bijstand over de periode van 1 mei 2002 tot en met 31 juli 2002 en tot terugvordering van de teveel gemaakte kosten van bijstand over die periode alsmede tot het opleggen van een boete, heeft gedaagde niet gehandeld in strijd met enige bepaling van de Algemene wet bestuursrecht, noch met enige andere geschreven of ongeschreven rechtsregel. Evenmin heeft de Raad in zijn rechtspraak aanknopingspunten kunnen vinden die aan die besluitvorming in de weg stonden.

Appellant heeft voorts nog aangevoerd dat de Commissie niet meer gezien kan worden als een onafhankelijk adviesorgaan, nu de Commissie in de tweede bezwaarprocedure moest oordelen over een besluit, waarvan de Commissie zelf had aangegeven hoe dat zou moeten luiden. Naar het oordeel van de Raad gaat deze grond reeds daarom niet op, nu de samenstelling van de Commissie die geadviseerd heeft ten behoeve van het besluit van 17 april 2003 een andere is dan die geadviseerd heeft ten behoeve van het besluit van 6 mei 2004.

Met betrekking tot de herziening en de terugvordering overweegt de Raad het volgende.

Vast staat dat op de rekening van appellant bedragen zijn gestort, waarvan uit de afschriften niet is te achterhalen van wie die bedragen afkomstig zijn. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van de middelen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. De Raad onderschrijft het in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel dat appellant er niet in is geslaagd aan te tonen dat hij niet kon beschikken over deze bedragen op zijn bankrekening. De Raad stelt zich tevens achter de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel is gebaseerd.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van de in eerste aanleg ingebrachte gronden en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Gelet op het vorenstaande heeft gedaagde de gedurende de periode van 1 mei 2002 tot en met 31 juli 2002 op de bankrekening van appellant gestorte bedragen terecht aangemerkt als inkomsten. Van deze inkomsten heeft appellant in strijd met zijn in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting aan gedaagde geen mededeling gedaan als gevolg waarvan over die periode tot een te hoog bedrag bijstand is verleend.

Uit het voorgaande volgt dat gedaagde op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden is om tot herziening van het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 mei 2002 tot en met 31 juli 2002 over te gaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

Met hetgeen hiervoor is overwogen is tevens gegeven dat over het betrokken tijdvak is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde verplicht was tot terugvordering van de teveel gemaakte kosten van bijstand over deze periode over te gaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Met betrekking tot de boete overweegt de Raad als volgt.

Hiervoor is vastgesteld dat appellant de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting niet is nagekomen als gevolg waarvan tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat elke verwijtbaarheid ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting ontbreekt en dat gedaagde daarom toepassing had moeten geven aan artikel 14, tweede lid, tweede volzin, van de Abw. Gelet hierop was gedaagde gehouden appellant een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Abw op te leggen.

Gedaagde heeft de hoogte van de boete overeenkomstig de bepalingen van het Boetebesluit socialeverzekeringswetten en uitgaande van een benadelingsbedrag van 2.280,94 vastgesteld op 231,--.

De bepalingen van de op 1 januari 2005 in de gemeente Leeuwarden in werking getreden Maatregelenverordening Wet werk en bijstand voorzien voor de onderhavige gedraging met betrekking tot de hoogte van de sanctie niet in een lagere sanctie dan de bij het besluit van 6 mei 2004 gehandhaafde boete, zodat er geen aanleiding is op grond van artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten de hoogte van de boete te verlagen.

Van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om de boete met toepassing artikel 14a, tweede lid, eerste volzin, van de Abw, op een ander bedrag vast te stellen is de Raad niet gebleken. Evenmin is gebleken van dringende redenen op grond van artikel 14a, vierde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekwam om van het opleggen van een boete af te zien.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient derhalve te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. J.J.A. Kooijman en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2006.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x