Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV7772
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De bijstandsaanvraag wordt buiten behandeling gelaten omdat niet tijdig de gevraagde gegevens zijn verstrekt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/561 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr.drs. G.J.J.M. Pubben, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 december 2004, reg.nr. SBR 04/596.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 februari 2006, waar voor appellant is verschenen mr. Pubben, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 12 augustus 2003 bij gedaagde een aanvraag om bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet ingediend. Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit van 3 oktober 2003 waarbij gedaagde, voorzover van belang, de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling heeft gelaten. Gedaagde heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzuimd om uiterlijk op 1 oktober 2003 de financiŽle gegevens te verstrekken waar gedaagde reeds in een gesprek op 12 augustus 2003 en bij brieven van 9 september 2003 en 22 september 2003 om had verzocht.

Bij besluit van 22 januari 2004, voorzover van belang, heeft gedaagde het tegen het besluit van 3 oktober 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 januari 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is er onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Appellant is op de dag van de aanvraag in een gesprek in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen met onder meer bankbescheiden en met boekhoudkundige gegevens met betrekking tot het tot 15 mei 2001 mede door hem geŽxploiteerde cafť. Blijkens een bijlage bij de brief die hem die dag kennelijk is overhandigd is appellant verder gevraagd waarvan hij vanaf 1 juli 2001 heeft geleefd. Voorts is appellant bij brieven van 9 september 2003 en 22 september 2003 wederom in de gelegenheid gesteld de gevraagde stukken in te leveren, waarvoor hij uiteindelijk tot 1 oktober 2003 de tijd heeft gekregen. Appellant is daarbij bij herhaling te kennen gegeven dat indien hij deze gegevens niet volledig of te laat verstrekt, de aanvraag niet verder kan worden behandeld. Aan de stelling van appellant dat de brief van 22 september 2003 niet in zijn dossier zit en hij dus niet op de hoogte was van de uiterste datum waarop de gevraagde stukken nog konden worden ingeleverd gaat de Raad in het licht van het vorenstaande voorbij, waarbij overigens nog wordt opgemerkt dat deze stelling niet zonder meer betekent dat appellant de brief niet zou hebben ontvangen. Bovendien heeft appellant op 27 augustus 2003 toegezegd de gevraagde boekhoudkundige gegevens binnen anderhalve week te overleggen.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat gedaagde, gezien de (mede) exploitatie van het cafť door appellant en de beŽindiging ervan, appellant terecht om voornoemde financiŽle gegevens heeft verzocht, mede gelet op de omstandigheid dat appellant niet heeft aangetoond hoe hij in de periode na de beŽindiging van de exploitatie van het cafť in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Voor het geval er bij appellant vragen zouden zijn gerezen over de wijze waarop hij dit zou moeten aantonen had hij zich tijdig tot gedaagde kunnen wenden dan wel tot een (rechts)hulpverlener.

Appellant is in zoverre tekort geschoten dat hij niet uiterlijk op 1 oktober 2003 aan gedaagde de verzochte informatie heeft verstrekt. Van belang hierbij acht de Raad nog dat gesteld noch gebleken is dat appellant in de onmogelijkheid heeft verkeerd de verzochte gegevens tijdig aan gedaagde te verstrekken. Daarbij heeft de Raad van betekenis geacht dat van de kant van gedaagde op 9 september 2003 telefonisch contact is opgenomen met het administratiekantoor [naam administratiekantoor] waarbij werd toegezegd dat de slotbalans en de verlies- en winstrekeningen van voorgaande jaren binnen twee a drie weken naar appellant zouden worden opgestuurd.

Gelet op het voorgaande is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat gedaagde bevoegd was om de aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. Voorts kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot buiten behandelingstelling heeft kunnen komen.

Met betrekking tot de grief dat gedaagde rekening had moeten houden met de door appellant in beroep overgelegde boekhoudkundige gegevens en de in hoger beroep overgelegde verklaring van zijn broer [naam broer] merkt de Raad nog het volgende op. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals onder meer de uitspraak van 1 maart 2005 (LJN AS9671), brengt de aard en inhoud van het primaire besluit strekkende tot het buiten behandeling laten van de onderhavige aanvraag om bijstand, met zich dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde termijn te verstrekken. In het voorgaande ligt reeds besloten dat hiervan in dit geval geen sprake is.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x