Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV7780
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens inkomsten uit arbeid. Schending van de inlichtingenverplichting. Schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 05/2073 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 maart 2005, reg.nr. 04/340 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 21 februari 2006, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Het recht op bijstand van appellant is met ingang van 1 april 2001 wegens werkaanvaarding beŽindigd.

Bij besluit van 16 oktober 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant onder meer over de periode van 20 juni 2000 tot en met 16 juli 2000 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 2.947,25 (Ä 1.337,40) bruto van appellant teruggevorderd. Voorts heeft gedaagde een bedrag van f 687,30 (Ä 311,88) ingevorderd door middel van verrekening met gereserveerd vakantiegeld. Aan de herziening heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan de inkomsten van appellant niet correct op zijn uitkering in mindering zijn gebracht.

Bij besluit van 13 november 2002 heeft gedaagde appellant onder verwijzing naar onder andere het besluit van 16 oktober 2001 meegedeeld dat appellant zijn schuld van Ä 1.119,65 tot op heden niet heeft voldaan en binnen dertig dagen na dagtekening van het besluit dient te betalen.

Bij besluit van 16 maart 2004 heeft gedaagde de op 2 november 2001 respectievelijk 13 december 2001 gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 16 oktober 2001 en 13 november 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 16 maart 2004 op inhoudelijk juiste gronden berust en er geen aanleiding bestaat de door appellant gestelde materiŽle schade te vergoeden. Vervolgens heeft zij overwogen dat gedaagde door eerst op 16 maart 2004 te beslissen op de bezwaren van appellant de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft overschreden en dat er termen aanwezig zijn gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de door appellant geleden immateriŽle schade. Gelet op deze overwegingen heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent griffierecht - het beroep tegen het besluit van 16 maart 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven en de gemeente Groningen veroordeeld tot vergoeding van schade aan appellant tot een bedrag van Ä 200,--.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten en aan hem een schadevergoeding van Ä 200,-- is toegekend. Hij heeft onder meer aangevoerd dat van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is aangezien hij bij brief van 12 augustus 2000 aan gedaagde heeft gemeld dat hij over week 25 tot en met 28 bij [werkgeefster] (hierna: [werkgeefster]) ongeveer f 2.000,-- heeft verdiend. Voorts heeft appellant gesteld dat voor brutering van het teruggevorderde bedrag geen grondslag bestaat en dat tenuitvoerlegging van de terugvordering door middel van verrekening met gereserveerd vakantiegeld niet juist is. Daarnaast heeft appellant aangegeven dat gedaagde te laat heeft beslist op zijn bezwaarschriften en dat de schadevergoeding die de rechtbank in verband daarmee heeft toegekend te laag is. Ten slotte heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn grieven tegen het opleggen van een boete.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat de rechtbank terecht voorbij is gegaan aan de door appellant aangevoerde gronden tegen het boetebesluit van 4 februari 2002, aangezien dit besluit hier niet in geding is.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant gedurende de periode van 20 juni 2000 tot en met 16 juli 2000 inkomsten heeft genoten uit zijn werkzaamheden bij [werkgeefster] ter hoogte van f 2.068,68. Van deze inkomsten heeft appellant niet volledig en niet op de voorgeschreven wijze (via de maandelijkse verklaringen Abw) mededeling gedaan aan gedaagde, zodat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dat appellant, zoals hij stelt, gedaagde bij brief van 12 augustus 2000 heeft gemeld dat hij over week 25 tot en met 28 bij [werkgeefster] ongeveer f 2.000,-- heeft verdiend doet daar niet aan af. De schending van de inlichtingenverplichting heeft tot gevolg gehad dat aan appellant over de in geding zijnde periode tot een te hoog bedrag bijstand is verleend.

Gelet daarop, was gedaagde gehouden om met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw over te gaan tot herziening van het recht op bijstand over de periode van 20 juni 2000 tot en met 16 juli 2000 en alsnog rekening te houden met de niet volledig en niet op de voorgeschreven wijze gemelde inkomsten. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 20 juni 2000 tot en met 16 juli 2000 over te gaan.

Ten aanzien van de omvang van de terugvordering merkt de Raad onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 78, eerste lid, en artikel 90 van de Abw op dat de gemaakte kosten van bijstand door gedaagde bruto van appellant dienen te worden teruggevorderd, aangezien in dit geval door tijdsverloop verrekening door gedaagde met de Belastingdienst niet meer mogelijk is. Dit betekent dat de terugvordering naast de netto teveel betaalde bijstand ook de daarover verschuldigde afgedragen loonbelasting en premies dient te bevatten.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering van appellant af te zien.

Ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de terugvordering bepaalt artikel 87, tweede lid, van de Abw dat artikel 14f, tweede lid, Abw van overeenkomstige toepassing is. Overeenkomstige toepassing van deze bepaling brengt mee dat indien degene van wie wordt teruggevorderd algemene bijstand ontvangt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd wordt door verrekening met die bijstand. Aangezien appellant algemene bijstand ontvangt en de vakantietoeslag daarvan op grond van artikel 26, derde lid, van de Abw, deel uitmaakt, was gedaagde derhalve met overeenkomstige toepassing van artikel 14f, tweede lid, van de Abw bevoegd de terugvordering ten uitvoer te leggen door verrekening met hetgeen appellant van gedaagde aan vakantietoeslag tegoed had.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de Raad de aangevallen uitspraak bevestigen voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 16 maart 2004 in stand zijn gelaten. In hetgeen overigens door appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

Aangezien het besluit van 16 maart 2004 op inhoudelijk juiste gronden berust, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er geen ruimte bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van de door appellant gestelde materiŽle schade.

Met betrekking tot de vordering van appellant tot vergoeding van de door hem als gevolg van de lange duur van de procedure geleden immateriŽle schade overweegt de Raad als volgt.

De Raad stelt voorop dat de grief van appellant over de lange duur van de procedure zich uitsluitend richt tegen het aandeel van het bestuursorgaan in dit geding. De Raad stelt voorts vast dat vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot aan de datum van deze uitspraak 4 jaar en 4 maanden zijn verstreken. De Raad is, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 december 2004, LJN AR7273, van oordeel dat daardoor de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn is overschreden. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant een rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van de procedure. Voorts is de Raad van oordeel dat gedaagde, door de onaanvaardbaar lange termijn die hij heeft genomen om zijn besluitvorming over de bezwaren van appellant af te ronden, tevens appellant ervan heeft afgehouden om het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen redelijke termijn te effectueren. Ook daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant een rechtvaardiging is aangetroffen voor de procedurele handelwijze van gedaagde.

De Raad acht aannemelijk dat appellant als gevolg van de lange duur een daadwerkelijke spanning en frustratie heeft ondergaan. De Raad acht om die reden termen aanwezig om de gemeente Groningen te veroordelen tot vergoeding van de door appellant geleden immateriŽle schade. Mede in aanmerking genomen het geringe belang van de zaak stelt de Raad de door de gemeente Groningen te betalen schadevergoeding vast op een bedrag van Ä 750,--. Ten aanzien van het met de procedure gemoeide belang merkt de Raad op dat appellant niet heeft bestreden dat hij de inkomsten die aanleiding waren voor de herziening van het recht op bijstand en de terugvordering van de kosten van bijstand heeft genoten, zodat gedaagde, ook indien de tegen de herziening van het recht op bijstand aangevoerde grieven doel zouden hebben getroffen, gelet op het bepaalde in artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw en artikel 81, eerste lid, van de Abw gehouden was om tot herziening en terugvordering over te gaan.

Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt voorzover het de aan appellant toegekende schadevergoeding betreft.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij aan appellant een schadevergoeding van Ä 200,-- is toegekend;
Veroordeelt de gemeente Groningen tot vergoeding van schade aan appellant ten bedrage van Ä 750,--;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor het overige.
Bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van Ä 103,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x