Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV7788
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand op de grond dat het niet aannemelijk is, gelet op het lage energie- en watergebruik, dat betrokkenen op het door hen opgegeven adres hebben gewoond. Feitelijk woonadres.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 05/67 NABW en 05/68 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 december 2004, reg.nrs. 04/266 NABW en 04/1092 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 februari 2006, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Asperen - die tevens voor appellant is verschenen - en waar gedaagde zich, zoals tevoren bericht, niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving in de periode van 23 november 1998 tot en met 5 juli 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellanten ontvingen in de periode van 6 juli 2000 tot en met 30 april 2003 een uitkering ingevolge de Abw naar de norm voor gehuwden.

Naar aanleiding van het bij de sociale dienst van de gemeente Hoogezand-Sappemeer gerezen vermoeden dat appellanten niet woonachtig zijn op het door hen opgegeven adres [adres 1] in [woonplaats], heeft de afdeling sociale zaken van genoemde gemeente een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft onder meer dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn inlichtingen ingewonnen bij instanties, waaronder leveranciers van energie en water, en zijn appellanten gehoord. Op basis van de bevindingen van dat onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 10 juni 2003, heeft gedaagde geconcludeerd dat onaannemelijk is dat appellante respectievelijk appellanten gedurende de hiervoor genoemde periodes woonachtig was/waren op het bij de gemeente bekende adres.

Bij besluit van 16 september 2003 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 juni 1999 tot en met 5 juli 2000 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van haar teruggevorderd tot een bedrag van 23.352,22. Bij besluit van 29 januari 2004 heeft gedaagde het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van eveneens 16 september 2003 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellanten over de periode van 6 juli 2000 tot en met 30 april 2003 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van hen teruggevorderd tot een bedrag van 40.664,03. Bij besluit van 29 januari 2004 heeft gedaagde het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar gegrond verklaard voorzover het de intrekking en de terugvordering over de periode vanaf 1 januari 2002 betreft. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Het bedrag van de terugvordering is nader bepaald op 19.867,66.

Gedaagde heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat, met name gelet op het zeer beperkte verbruik van water in de periode van 1 juni 1999 tot 1 januari 2002, niet aannemelijk is dat achtereenvolgens appellante en appellanten gedurende deze periode hebben gewoond op het adres [adres 1], dat zij daarvan geen mededeling aan gedaagde hebben gedaan, en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld.
Appellante heeft tegen de besluiten van 29 januari 2004 beroep ingesteld. Ter zitting van de rechtbank van 21 december 2004 heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat ook appellant bedoeld heeft beroep in te stellen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van appellante ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Namens appellant is aangevoerd dat zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad volgt hem daarin niet. De toenmalige gemachtigde van appellanten heeft, zo blijkt uit het beroepschrift en het aanvullend beroepschrift, uitsluitend op naam van appellante tegen de besluiten van 29 januari 2004 beroep ingesteld. Pas ter zitting van de rechtbank is mededeling gedaan van een beroep van eiser. De rechtbank heeft dienaangaande terecht geoordeeld dat dit beroep buiten de wettelijke termijn is ingesteld. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant daarbij niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve niet.

Appellante stelt zich op het standpunt dat zij in de in geding zijnde periodes wel degelijk eerst met haar oudste zoon en later in gezinsverband met appellant en een of twee kinderen op het adres [adres 1] heeft gewoond.

Dienaangaande stelt de Raad voorop dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woonsituatie van de betrokkene(n) een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de betrokkene op dit punt juiste en volledige informatie aan het college van burgemeester en wethouders verstrekt.

De vraag waar iemand woont dient de worden beoordeeld aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

Uit het door gedaagde ingestelde onderzoek is gebleken dat op het adres [adres 1] in de periode van 1 juni 1999 tot 1 januari 2002 sprake is geweest van een waterverbruik van 7 m3. De beginstand van 1072 m3 berust op de opgave van appellante, de eindstand van 1079 m3 is vastgesteld tijdens een meteropname door de leverancier. Mede in aanmerking genomen dat op 1 januari 2001 door de leverancier nog een opname is gedaan waarbij een stand van 1074 m3 is vastgesteld, kan worden uitgegaan van de juistheid van deze gegevens. Gebleken is voorts dat de leverancier op basis van deze gegevens facturen aan appellanten heeft gezonden. Reeds op grond van dit extreem lage waterverbruik moet uitgesloten worden geacht dat appellante met haar oudste kind of in gezinsverband met appellant en een of twee kinderen in deze woning woonachtig is geweest, ook indien in aanmerking wordt genomen dat - zoals appellante heeft aangevoerd - zij veelvuldig bij familie elders heeft verbleven en dat appellant veelvuldig in de gemeente Groningen was voor het volgen van cursussen. In dit verband komt mede betekenis toe aan de uit het procesdossier blijkende gegevens over het verbruik van gas en elektra in de periode van 1 juni 1999 tot 10 november 2001, die eveneens een bijzonder laag verbruik aangeven. Aan de betekenis van de gegevens over het water- en energieverbruik in de woning [adres 1] wordt naar het oordeel van de Raad geen afbreuk van betekenis gedaan door de in hoger beroep nog overgelegde aantekening van een huisbezoek door Thuiszorg Groningen op het adres [adres 1] op 9 juni 2000.

Uit het voorgaande volgt dat appellante in de periode waarin zij bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande ouder geen juiste mededeling aan gedaagde heeft gedaan over haar woonadres. In de daaropvolgende periode (tot 1 januari 2002) hebben appellanten evenmin aan gedaagde juiste informatie over hun woonadres verstrekt. Voor beide periodes geldt derhalve dat sprake is van een schending van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting.

Evenals gedaagde en de rechtbank, is de Raad van oordeel dat als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of appellante respectievelijk appellanten tijdens de twee in geding zijnde periodes verkeerden in bijstandsbehoevende omstandigheden. De schending van de inlichtingenverplichting heeft er dan ook toe geleid dat aan hen ten onrechte bijstand is verleend.

Gedaagde was derhalve op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden over te gaan tot intrekking van het recht op bijstand over de in geding zijnde periodes. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Daarmee is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde verplicht was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand over te gaan. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

De Raad komt tot de conclusie dat ook het hoger beroep van appellante niet slaagt.

Op grond van het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter, en mr. C. van Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x