Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AV8280
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting. Naar vaste rechtspraak van de CRvB behoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen op zichzelf aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning niet in de weg te staan. Van belang is de feitelijke woon- en leefsituatie.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/7290 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], appellant, wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 november 2004, reg.nr. 04/916 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 05/354 NABW, behandeld ter zitting van 28 februari 2006, waar namens appellant is verschenen mr. J.A.C. van Etten, kantoorgenoot van mr. Van Willigen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.L. de Haart, werkzaam bij de gemeente Arnhem. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst en is in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving van gedaagde sinds 17 januari 2002 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant zou samenwonen met K. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) in haar woning aan [adres 1] te Arnhem, is door de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Inwonerszaken van de gemeente Arnhem een onderzoek ingesteld, waarvan op 16 juni 2003 een rapport is opgemaakt. Op grond van de bevindingen van dit rapport heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant en [betrokkene] in ieder geval vanaf 13 februari 2002 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Bij besluit van 17 juni 2003 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant met ingang van 12 juni 2003 beŽindigd. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

Bij besluit van 24 november 2003 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant over de periode vanaf 1 februari 2002 herzien en de over de periode van 13 februari 2002 tot 12 juni 2003 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van Ä 7.290,83 van hem teruggevorderd. Aan dit besluit ligt gedaagdes standpunt ten grondslag dat appellant vanaf 1 februari 2002 recht had op de helft van de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 18 maart 2004 heeft gedaagde het tegen het besluit van 24 november 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 18 maart 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voorzover daarbij het recht op bijstand van appellant is ingetrokken over de periode van 1 februari 2002 tot en met 12 februari 2002.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voorzover hij daarbij in het ongelijk is gesteld.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot de vraag of appellant ten tijde hier van belang, 13 februari 2002 tot 12 juni 2003, met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in de zin van de Abw, overweegt de Raad het volgende. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Vaststaat dat appellant en [betrokkene] ten tijde hier van belang ieder over een eigen woning beschikten. Naar vaste rechtspraak van de Raad behoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen op zichzelf aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning niet in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat, doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat feitelijk van samenwonen moet worden gesproken.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat ten tijde hier in geding aan het eerste criterium, te weten het hebben van een gezamenlijk hoofdverblijf, is voldaan.

Evenals de rechtbank kent de Raad daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die appellant en [betrokkene] op 15 mei 2003 tegenover de sociaal rechercheurs hebben afgelegd. Uit die verklaringen, die anders dan appellant heeft aangevoerd in hoofdlijnen met elkaar overeenstemmen, kan worden afgeleid dat vanaf de verhuizing van [betrokkene] naar [het adres 1] te Arnhem met ingang van 13 februari 2002 appellant in overwegende mate bij [betrokkene] in haar woning verbleef. Appellant beschikte over een sleutel van deze woning, waarin - volgens zijn verklaring - zijn dagelijks leven zich afspeelde.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van wederzijdse verzorging. Die kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermede samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige financiŽle verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat er voor gedaagde voldoende grond was om aan te nemen dat ten tijde in geding aan het criterium van wederzijdse zorg was voldaan. De Raad kent daarbij eveneens doorslaggevende betekenis toe aan de op 15 mei 2003 afgelegde verklaringen van appellant en [betrokkene], die ter zake van het hier aan de orde zijnde aspect er op neerkomen dat appellant gebruik maakte van alle faciliteiten in de woning van [betrokkene] en dat hij haar auto gebruikte, dat [betrokkene] de boodschappen deed en dat appellant daaraan meebetaalde en dat [betrokkene] voor appellant de was deed.

De Raad ziet geen grond voor de door appellant bepleite conclusie dat de door de sociaal rechercheurs opgemaakte verklaringen geen juiste weergave vormen van de door hem en [betrokkene] op 15 mei 2003 op het bureau van politie te Arnhem afgelegde verklaringen. Uit de processen-verbaal blijkt dat appellant en [betrokkene], nadat de verklaring was voorgelezen, in hun verklaring hebben volhard en deze (per bladzijde) hebben ondertekend. Ook overigens heeft appellant geen objectiveerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat deze verklaringen niet juist zijn. Evenals de rechtbank acht de Raad de in beroep overgelegde getuigenverklaringen daartoe onvoldoende.

De omstandigheid dat de strafrechter appellant heeft vrijgesproken van hetgeen hem was ten laste gelegd (het opzettelijk nalaten om gedaagde volledig te informeren), doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

Gedaagde heeft gezien het voorgaande op goede gronden geconcludeerd dat appellant en [betrokkene] gedurende de periode van 13 februari 2002 tot 12 juni 2003 een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Abw. Dit betekent dat appellant gedurende die periode niet beschouwd kon worden als een zelfstandig subject van bijstand, zodat hij geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande.

Appellant heeft, in strijd met de op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting, van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [betrokkene] aan gedaagde geen mededeling gedaan. Gedaagde heeft dan ook terecht met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op bijstand van appellant in het betrokken tijdvak herzien. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd was om van herziening af te zien.

Met het voorgaande is tevens voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering als bedoeld in artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was de tot een te hoog bedrag aan gemaakte kosten van bijstand over de periode van 13 februari 2002 tot 12 juni 2002 van appellant terug te vorderen. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Gelet hierop dient het verzoek van appellant om een veroordeling tot schadevergoeding te worden afgewezen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. C. van Viegen, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x