Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AW5228
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-04-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/6519 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 18 oktober 2004, 04/502 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Urk (hierna: College).

Datum uitspraak: 18 april 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W. Vahl, advocaat te Kampen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2006. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Kramer, werkzaam bij de gemeente Urk.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante is met ingang van 30 december 2002 recht op bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Naar aanleiding van een tip dat appellante samenwoont met [naam partner] (hierna: [naam partner]) op haar adres, [adres] te [woonplaats 2], heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 13 augustus 2003, is appellante gehoord evenals [naam partner]. Verder zijn waarnemingen verricht en getuigen gehoord.

De bevindingen van dat onderzoek gaven het College aanleiding om bij besluit van 18 september 2003 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op bijstand van appellante over de periode van 30 december 2002 tot en met 31 juli 2003 in te trekken en met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van 9.515,97 van haar terug te vorderen.

Bij besluit van 4 maart 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 maart 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Abw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.

Aangezien vaststaat dat appellante en [naam partner] op 30 december 2002 samen een door [naam partner] erkend kind hebben, is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [naam partner] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Uit de onderzoeksgegevens, te samen en in onderling verband bezien, komt naar voren dat [naam partner], die door de week in de provincie Zeeland in verband met zijn werk aldaar op een baggerschip verblijft, gedurende de weekeinden woonachtig is bij appellante. Uit waarnemingen van de sociale recherche blijkt dat zij samen verblijven op het adres van appellante in [woonplaats 2] dan wel in een caravan op een camping in Hardenberg. Ook brengen zij gezamenlijk de vakantie op die camping door. Bij de beheerder van de camping is als eigenaar van de caravan bekend de familie [naam partner] op het adres van appellante. Bij een uitzendbureau staat [naam partner] ingeschreven op het adres van appellante en is hij onder haar telefoonnummer bereikbaar. De broer en schoonzus van [naam partner], woonachtig in [plaatsnaam] op welk adres hij staat ingeschreven, hebben verklaard dat [naam partner] dit adres slechts als postadres gebruikt.

Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Nu appellante en [naam partner] ten tijde hier in geding een gezamenlijke huishouding voerden, moet appellante voor de toepassing van de Abw als gehuwd worden aangemerkt. Zij kon om die reden niet langer worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en had ten tijde in geding dan ook geen recht (meer) op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Het College heeft dan ook terecht het recht op bijstand van appellante gedurende de hier in geding zijnde periode ingetrokken. In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat het College gehouden was tot terugvordering van de over de periode van 30 december 2002 tot en met 31 juli 2003 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van 9.515,97 over te gaan. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering van appellante af te zien.

Het vorenstaande houdt in dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x