Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AX2254
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een maatregel van 20% gedurende één maand en een maatregel van 10% gedurende twee maanden wegens het niet meewerken aan medisch onderzoek onderscheidenlijk het onvoldoende verrichten van sollicitatieactiviteiten. Betrokkene heeft een verknipte brief en een aantal gefingeerde, althans in hetzelfde lettertype gestelde, brieven (met weglating van data, bedrijfsgegevens, functies e.d.) overgelegd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2124 NABW en 05/2125 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 februari 2005, 04/232 en 04/1588 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College).

Datum uitspraak: 16 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2006. Appellant is verschenen in persoon. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.W. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Tilburg.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving ten tijde in geding een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 19 september 2003 heeft het College aan appellant met ingang van 1 oktober 2003 een maatregel opgelegd inhoudende een verlaging van de bijstand van appellant met 20% gedurende een maand wegens het niet meewerken aan onderzoeken bij Argonaut.

Bij besluit van 11 december 2003 (besluit 1) heeft het College het tegen het besluit van 19 september 2003 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de maatregel gewijzigd in 10% verlaging van de bijstand voor de duur van een maand.

Bij besluit van 22 maart 2004 heeft het College aan appellant met ingang van 1 april 2004 (wederom) een maatregel opgelegd inhoudende een verlaging van de bijstand met 10% gedurende twee maanden. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant te weinig heeft gesolliciteerd op vacatures die aansluiten bij zijn opleiding en ervaring. De duur van de maatregel is mede gebaseerd op het gegeven dat aan appellant in het jaar voorafgaande aan het besluit reeds een maatregel werd opgelegd.

Bij besluit van 10 juni 2004 (besluit 2) heeft het College het tegen het besluit van 22 maart 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten 1 en 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen die uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Vooraf

De Raad merkt allereerst op dat, gelet op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWwb), het College terecht met toepassing van de Abw heeft beslist op het op 16 oktober 2003 ontvangen bezwaarschrift tegen het besluit van 19 september 2003. Met verwijzing naar de beschrijving van het stelsel van gefaseerde invoering van de Wet werk en bijstand (Wwb) en de IWwb in de onderdelen 4.1.2 en 4.1.3 van zijn uitspraak van 6 december 2005 (LJN AU7664) stelt de Raad, gelet op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de IWwb, vast dat het College eveneens terecht met toepassing van de Abw heeft beslist op het op 5 april 2004 ontvangen bezwaarschrift tegen het op grond van de artikelen 14 en 113 van laatstgenoemde wet en het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit) genomen besluit van 22 maart 2004.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Ingevolge artikel 113, eerste lid, van de Abw is de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 68a, tweede lid, van de Abw, verplicht:
a. naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
(...)
e. mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding
en aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voorzover hier van belang, dat indien de belanghebbende een op grond van hoofdstuk VIII van de Abw aan de bijstand verbonden verplichting (waaronder die als bedoeld in artikel 113) niet of niet behoorlijk is nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In het vijfde lid is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere regels kunnen worden gesteld. De desbetreffende algemene maatregel van bestuur is het Maatregelenbesluit.

Ingevolge artikel 3 van het Maatregelenbesluit worden de gedragingen bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw onderscheiden in vier categorieën. Aan dit onderscheid ligt het criterium ten grondslag dat de ernst van het feit toeneemt naarmate het niet nakomen van een verplichting concretere gevolgen heeft voor het verkrijgen van arbeid.



Ten aanzien van de zaak 05/2124 NABW

Uit de gedingstukken, met name de rapportage diagnosestelling van Argonaut van 7 augustus 2003, leidt de Raad af dat appellant door de gemeente Tilburg op 14 april 2003 bij Argonaut is aangemeld, dat hij op 14 mei 2003 een intakegesprek heeft gevoerd met een reïntegratiedeskundige van Argonaut en dat hij niet is doorgeleid voor een medisch belastbaarheidsonderzoek, een arbeidskundig onderzoek en een psychologisch onderzoek. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat uit het verslag van het intakegesprek genoegzaam blijkt dat de reden daarvan is dat appellant tijdens dat gesprek geen reële bereidheid heeft getoond om aan nadere onderzoeken door Argonaut zijn medewerking te verlenen. De Raad ziet in de gedingstukken geen aanknopingspunten op grond waarvan staande kan worden gehouden dat ter zake elke vorm van verwijtbaarheid bij appellant ontbreekt.

Naar het oordeel van de Raad heeft het College de handelwijze van appellant terecht gekwalificeerd als een gedraging van de tweede categorie als vermeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit, te weten het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding. Artikel 5, eerste lid en onder b, van het Maatregelenbesluit bepaalt dat bij deze gedraging de weigering bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw wordt vastgesteld op tien procent van de bijstand gedurende een maand. Niet is gebleken dat de omstandigheden van appellant of de mate van verwijtbaarheid het College aanleiding hadden moeten geven de opgelegde maatregel met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw op een lager bedrag vast te stellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw, in welk geval het College van het opleggen van een maatregel kan afzien.



Ten aanzien van de zaak 05/2125 NABW

Uit de gedingstukken blijkt dat het College aan appellant heeft verzocht bewijsstukken van sollicitaties, naar de Raad aanneemt uit de periode sedert het laatste heronderzoek in september 2003, over te leggen. Appellant heeft daarop uiteindelijk een verknipte brief en een aantal gefingeerde, althans in hetzelfde lettertype gestelde, brieven (met weglating van data, bedrijfsgegevens, functies e.d.) overgelegd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de door appellant gepresenteerde “sollicitatiebrieven” niet verifieerbaar zijn noch kunnen dienen als bewijs voor de stelling dat appellant in kwantitatief en kwalitatief opzicht voldoende heeft gesolliciteerd. Nu het er aldus voor moet worden gehouden dat appellant ten tijde in geding niet aantoonbaar heeft gesolliciteerd, heeft het College terecht geconcludeerd dat appellant verwijtbaar heeft nagelaten naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Hetgeen appellant heeft gesteld omtrent zijn te respecteren privacy kan de Raad reeds hierom niet volgen nu het evident is dat een bestuursorgaan in het kader van een (her)onderzoek verstrekte gegevens zonodig en desgewenst op juistheid dient te controleren. Dat het College daarbij - door van appellant afschriften van daadwerkelijke sollicitatiebrieven dan wel van reacties daarop van benaderde werkgevers te eisen - de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit zou hebben overschreden, is de Raad niet kunnen blijken.

Het College heeft de gedraging van appellant terecht gekwalificeerd als vallend onder de tweede categorie als bedoeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit. De opgelegde maatregel is voorts in overeenstemming met artikel 5, eerste en tweede lid, van het Maatregelenbesluit. De Raad ziet geen grond om aan te nemen dat deze gedraging niet of in verminderde mate aan appellant kan worden verweten dan wel dat de opgelegde maatregel niet in overeenstemming is met de ernst van de gedraging en de omstandigheden waarin appellant verkeerde. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien.



Slotoverwegingen

Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x