Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AX6477
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens. Betrokkene beschikte over voldoende vermogen vanwege een erfenis.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/687 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 december 2004, nr. 03/980 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College).

Datum uitspraak: 16 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2006, waar appellant is verschenen en het College zich - met voorafgaande kennisgeving daarvan - niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 5 maart 1991 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). In verband met het overlijden van de vader van appellant op 7 juni 2002 en gelet op de verwachting van appellant dat hij na afwikkeling van de nalatenschap zou kunnen beschikken over een erfdeel, heeft het College bij besluit van 30 juli 2002 de verlening van de bijstand met ingang van 1 juli 2002 voortgezet in de vorm van een geldlening.

Bij op 19 mei 2003 verzonden besluit heeft het College het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2003 ingetrokken op de grond dat hij gezien de ontvangst van zijn erfdeel over voldoende middelen beschikt om zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Tevens heeft het College bij dat besluit de kosten van - volgens het College - teveel verleende bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van Ä 6.232,49.

Bij besluit van 19 augustus 2003 heeft het College het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voorzover het de intrekking van het recht op bijstand betreft. Voor het overige heeft het College - onder handhaving van de terugvordering tot het hiervoor genoemde bedrag, zij het nu op basis van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw - vastgesteld dat appellant achteraf over de periode van 1 juli 2002 tot 1 maart 2003 over middelen beschikt of kan beschikken uit hoofde van zijn aandeel in de nalatenschap van zijn vader, als gevolg waarvan hem over deze periode teveel bijstand is verleend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad, stelt de Raad vast dat appellant niet of niet langer de juistheid bestrijdt van de intrekking van zijn recht op bijstand per 1 maart 2003, de toepassing van artikel 82, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw, en de in dat kader gehanteerde peildatum.

Appellant heeft er in de eerste plaats op gewezen dat er in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 15 november 2004 enige onjuistheden staan, en daarbij aangegeven op welke wijze die zouden moeten worden gecorrigeerd. De Raad volgt appellant niet in zijn ter zitting van de Raad ingenomen standpunt dat dit, mede gelet op het gegeven dat het College aanvankelijk van een onjuiste datum van overlijden van zijn vader is uitgegaan, moet leiden tot een gedeeltelijke vernietiging van de aangevallen uitspraak en tot gedeeltelijke gegrondverklaring van zijn beroep. Niet is gebleken dat appellant door de wijze waarop van het besprokene ter zitting van de rechtbank verslag is gelegd in zijn processuele positie is geschaad. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat de rechtbank wel is uitgegaan van de juiste overlijdensdatum en dat, zoals hiervoor is aangegeven, de in het kader van de toepassing van artikel 82 van de Abw gehanteerde peildatum niet in geschil is.

Appellant heeft zich voorts beroepen op de aanwezigheid van een dringende reden als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw om in dit geval geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dienaangaande overweegt de Raad dat volgens vaste rechtspraak dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van sociale of financiŽle consequenties voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, vooral gelet op de financiŽle positie van appellant, van zodanige consequenties niet kan worden gesproken. Dat appellant, naar hij stelt, het gehele bedrag van zijn erfdeel nodig heeft voor het maken van een start met een eigen bedrijf of voor het volgen van een opleiding, met de bedoeling om daardoor uit de bijstand te blijven, kan niet worden aangemerkt als een dringende reden in de hiervoor bedoelde zin. De Raad tekent bij het voorgaande aan dat het, anders dan appellant betoogt, hier niet gaat om de uitoefening een discretionaire bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Reeds hierom laat de Raad de stelling van appellant dat het College in zijn beleidsinstructie duidelijk had moeten maken in welke gevallen hij een dergelijke dringende reden aanneemt buiten bespreking.

Verder heeft appellant aangevoerd dat het College zijn klacht over het niet bijwerken van zijn beleidsinstructie en een (mede) daarop betrekking hebbende brief van 28 oktober 2004 niet heeft beantwoord, hetgeen - in strijd met artikel 6 van het EVRM - kan worden beschouwd als een vorm van bestuurlijke traagheid. De Raad volgt appellant daarin niet. De brief van appellant van 28 oktober 2004 houdt nauw verband met het onderhavige geschil en is ingebracht op het moment dat de zaak diende bij de rechtbank. Het College hoefde die brief in dat stadium niet afzonderlijk te beantwoorden, maar kon volstaan met het geven van een reactie in het kader van de beroepszaak. Van een trage besluitvorming door het College is ook overigens geen sprake, nu het College op 19 augustus 2003 heeft beslist op het bezwaarschrift van appellant van 16 juni 2003. Ten slotte is gezien de totale duur van deze procedure vanaf de datum van indiening van het bezwaarschrift ook geen sprake van schending van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Het beroep dat appellant ter zitting van de Raad nog heeft gedaan op artikel 13 van het EVRM treft evenmin doel. De Raad acht dit beroep onvoldoende concreet en niet onderbouwd.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2006.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x