Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AX6561
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-04-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging, intrekking en terugvordering van de bijstand op de grond dat betrokkene onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verlaging van de opgelegde boete op grond van artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/163 NABW en 05/6097 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 22 november 2004, 03/4049 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ís-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 18 april 2006




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit van 11 oktober 2005 aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2006. Voor appellant is verschenen mr. D. den Hollander, kantoorgenoot van mr. Oosterveen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 26 november 1996 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij zijn aanvraag heeft hij opgegeven in te wonen bij zijn dochter op het adres [adres] te [woonplaats]. Per 19 september 2000 is appellant volgens zijn opgave tezamen met het gezin van zijn dochter verhuisd naar het adres [adres 2] te [woonplaats].

Naar aanleiding van het bij het College gerezen vermoeden dat appellant niet daadwerkelijk op het opgegeven adres woonde, heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ís-Gravenhage een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is een huisbezoek afgelegd en is appellant gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 12 maart 2003 en 7 april 2003

Bij besluit van 18 maart 2003 heeft het College het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2003 beŽindigd.

Bij besluit van 7 april 2003, documentnr. 1106021, heeft het College het recht op bijstand van appellant over de periode van 19 september 2000 tot en met 28 februari 2003 ingetrokken. Tevens heeft het College daarbij besloten de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van Ä 21.633,49 van appellant terug te vorderen.

Bij besluit van 7 april 2003, documentnr. 1106018, heeft het College aan appellant een boete van Ä 2.189,-- opgelegd.

Bij besluit van 15 augustus 2003 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 18 maart 2003 en 7 april 2003 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant in strijd met de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting vanaf 19 september 2000 onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Bij het besluit van 11 oktober 2005 heeft het College, onder verwijzing naar artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2003, documentnr. 1106018, alsnog gegrond verklaard en het bedrag van de opgelegde boete verlaagd tot Ä 253,17.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Vooraf

De Raad merkt het besluit van 11 oktober 2005 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit besluit niet geheel is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant, dient de Raad dit besluit gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb mede in zijn beoordeling te betrekken. De Raad stelt voorts vast dat het besluit van 11 oktober 2005 geheel in de plaats is getreden van hetgeen in het eerdere besluit van 15 augustus 2003 over de boete is besloten, zodat appellant geen belang meer heeft bij een beslissing op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voorzover daarin is beslist over de boete. Dit brengt mee dat het hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Met betrekking tot de in hoger beroep opgeworpen grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geweigerd de door appellant naar de zitting van de rechtbank meegenomen getuigen te horen, oordeelt de Raad dat de rechtbank in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de in artikel 8:63, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid om af te zien van het horen van door een partij meegebrachte getuigen. Daarbij heeft de rechtbank kunnen laten meewegen dat zich in het dossier reeds een op schrift gestelde verklaring van deze getuigen bevindt. De Raad voegt daar nog aan toe dat appellant deze getuigen niet op de in artikel 8:60, vierde lid, van de Awb voorgeschreven wijze bij de rechtbank had aangemeld.



De beŽindiging, intrekking en terugvordering

Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de bevindingen, neergelegd in de rapporten van 12 maart 2003 en 7 april 2003, voldoende aannemelijk is geworden dat appellant gedurende de in geding zijnde periode niet daadwerkelijk verbleef op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Uit het verslag van het op 12 maart 2003 door twee opsporingsambtenaren afgelegde huisbezoek aan dat adres blijkt dat appellant niet de beschikking had over een eigen kamer. De kamer die door appellant als zijn kamer werd aangewezen, was in gebruik als kinderkamer. Bovendien was appellant niet in staat om eigen kleding en persoonlijke papieren te tonen. Nadat appellant de gelegenheid was geboden over een en ander nader uitleg te geven, heeft hij bij brief van 13 maart 2003 meegedeeld dat hij ook regelmatig bij zijn andere dochter verblijft. Vervolgens heeft appellant, geconfronteerd met het vermoeden dat hij niet woonachtig was op het opgegeven adres, op 7 april 2003 tegenover opsporingsambtenaren verklaard dat zijn hoofdverblijf is in de woning aan de [adres 2] te [woonplaats], maar dat hij niet de beschikking heeft over een eigen kamer en dat ook nimmer heeft gehad; hij deelt de kamer en het bed met zijn kleinzoon.

Op grond van het vorenstaande is de conclusie gerechtvaardigd dat appellant omtrent zijn feitelijke verblijfplaats en zijn woon- en leefsituatie onjuiste en ontoereikende informatie heeft verschaft. Aan de door appellant bij de rechtbank overgelegde verklaring, ondertekend door twaalf personen, dat hij woont op het adres [adres 2] te [woonplaats] kent de Raad niet die betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien, reeds op de grond dat die verklaring niet meer inhoudt dan dat appellant aldaar woont zonder dat die verklaring verder is toegelicht. Aldus heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichtingen geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand gedurende de in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld.

Het College heeft de uitkering derhalve terecht met toepassing van artikel 65, eerste lid, bezien in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Abw per 1 maart 2003 beŽindigd, en was op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw voorts gehouden om het recht op bijstand over de periode van 19 september 2000 tot en met 28 februari 2003 in te trekken.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, op grond waarvan het College de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Met het voorgaande is gegeven dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van appellant van de over de periode van 19 september 2000 tot en met 28 februari 2003 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van Ä 21.633,49 op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep, voorzover het betreft de beŽindiging, intrekking en terugvordering niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor bevestiging in aanmerking komt.



De boete

Hiervoor is vastgesteld dat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat elke verwijtbaarheid ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting ontbreekt en dat het College daarom toepassing had moeten geven aan artikel 14, tweede lid, tweede volzin, van de Abw. Gelet hierop was het College gehouden appellant een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Abw op te leggen.

De op 1 januari 2005 in werking getreden Maatregelenverordening Wwb van de gemeente ís-Gravenhage voorziet voor de onderhavige gedraging van appellant in een verlaging van bijstand met een bedrag van Ä 253,17. Op grond van artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR heeft het College de opgelegde boete in zijn besluit van 11 oktober 2005 dan ook terecht verlaagd tot dat bedrag.

De Raad ziet in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten om te oordelen dat op grond van de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging appellant kan worden verweten en/of de omstandigheden waarin appellant verkeert, de boete op grond van artikel 14a, tweede lid, van de Abw op een lager bedrag zou moeten worden vastgesteld. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de Abw.

Het beroep voorzover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 11 oktober 2005 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.



Proceskosten

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op Ä 644,-- in beroep en Ä 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk, voorzover bij die uitspraak het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2003 met betrekking tot de boete ongegrond is verklaard;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2003 met betrekking tot de beŽindiging, intrekking en terugvordering ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep voorzover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 11 oktober 2005 ongegrond;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van Ä 1.288,-- te betalen door de gemeente ís-Gravenhage;
Bepaalt dat de gemeente ís-Gravenhage aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal Ä 133,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2006.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x