Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AX6779
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor meerkosten van kleding, schoenen en beddengoed op de grond er geen medische indicatie aanwezig is voor het extra wassen van kleding of beddengoed en dat geen sprake is van extra slijtage van kleding, schoeisel en beddengoed als gevolg van een medisch probleem.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/1014 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2005, 04/1023 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgermeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 30 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2006. Voor appellante is verschenen mr. Van Zundert. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Zij heeft op 25 september 2002 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor meerkosten van kleding, schoenen en beddengoed. Naar aanleiding van de aanvraag is vanwege de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam contact opgenomen met de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD). De arts van de GGD, A. Knegt, heeft - na appellante op het spreekuur van 3 februari 2003 te hebben gezien en de voorhanden zijnde medische gegevens te hebben geraadpleegd - geadviseerd dat er geen medische indicatie aanwezig is voor het extra wassen van kleding of beddengoed en dat geen sprake is van extra slijtage van kleding, schoeisel en beddengoed als gevolg van een medisch probleem.

Bij besluit van 19 februari 2003 heeft het College de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen op grond dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 39 van de Awb.

Bij besluit van 23 februari 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 februari 2003 overeenkomstig het preadvies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard. Daarnaast is mede ten grondslag gelegd een nader advies van de GGD van 12 december 2003.

De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Abw heeft de belanghebbende recht op bijzondere bijstand voorzover hij niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm als bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Met het College is de Raad van oordeel dat in het geval van appellante de noodzaak van de meerkosten van kleding, schoeisel en beddengoed niet is komen vast te staan. De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het College zijn oordeel over (het ontbreken van) de medische noodzaak van deze kosten niet op de adviezen van de GGD kon en mocht baseren. Hetgeen door appellante, onder overlegging van medische verklaringen van de artsen die haar behandeld hebben, daarover is aangevoerd heeft de Raad er niet van overtuigd dat de adviezen naar wijze van totstandkoming of naar inhoud niet deugdelijk zouden zijn. Daartoe overweegt de Raad dat appellante twee maal op het spreekuur van de betrokken GGD-arts is gezien, dat de GGD bij zijn advisering gebruik heeft gemaakt van de over appellante voorhanden zijnde medische gegevens en dat een GGD-arts tijdens hoorzitting over het bezwaar van appellante een toelichting op het medische oordeel van de GGD heeft gegeven. De in beroep overgelegde medische verklaringen zien merendeels op een periode gelegen ruim voor het hier van belang zijnde tijdvak. De verklaring van de huisarts van appellante van 17 september 2004 ziet evenmin op de periode in geding en betreft bovendien de in dit geding niet aan de orde zijnde noodzaak van extra verwarming van de woning van appellante. Ten slotte neemt de Raad in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat appellante ten tijde in geding niet onder medische behandeling voor haar reumatische klachten stond.

In verband met het voorgaande is de Raad van oordeel dat de gestelde meerkosten voor kleding, schoeisel en beddengoed van appellante niet kunnen aangemerkt als noodzakelijke kosten van het bestaan zoals bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw. Het College heeft de aanvraag van appellante dan ook terecht afgewezen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en G.A.J. van den Hurk en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x