Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AX6794
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2672 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 maart 2005, 04/2027 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg (hierna: College).

Datum uitspraak: 30 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. Y. de Froe, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend, nadere stukken ingezonden en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2006. Appellante is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.H.C. Weterings en mr. M.W.M. Maree, beiden werkzaam bij de gemeente Doesburg.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 11 januari 2002 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op grond van gerezen twijfel over de verblijfplaats van de ex-partner van appellante, [ex-partner] (hierna: [ex-partner]) die vanaf 2 januari 2002 een uitkering ingevolge de Abw ontving van de gemeente Arnhem, heeft de afdeling bijzonder onderzoek van de gemeente Arnhem een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van [ex-partner]. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek, in het kader waarvan observaties hebben plaatsgevonden, appellante en [ex-partner] zijn gehoord, alsmede een zestal buurtbewoners als getuigen, is het College tot de conclusie gekomen dat appellante en [ex-partner] in de periode van 11 januari 2002 tot en met 31 december 2003 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Bij besluit van 4 februari 2004 heeft het College het recht op bijstand van appellante over de periode van 11 januari 2002 tot en met 31 december 2003 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van 29.195,71 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 29 juli 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 29 juli 2004 gegrond verklaard wegens een onjuiste wettelijke grondslag, dit besluit vernietigd, en daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover hierbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2005, LJN AT4358, volgt dat het College vanaf 1 januari 2004 aan artikel 54 WWB de bevoegdheid ontleend om tot opschorting en herziening of intrekking van het recht op bijstand over te gaan, en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvlak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder b, van de Abw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en [ex-partner] kinderen zijn geboren is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [ex-partner] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft daarbij niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Evenals de rechtbank onderschrijft de Raad het standpunt van het College dat appellante en [ex-partner] ten tijde hier in geding een gezamenlijke huishouding in de zin van voornoemde bepalingen hebben gevoerd. De Raad heeft daarbij onder meer acht geslagen op de door appellante en [ex-partner] tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen. Voorts heeft de Raad van betekenis geacht dat [ex-partner] bij beide huisbezoeken op het adres van appellante daar aanwezig was, dat daarbij zowel kleding als administratie van [ex-partner] zijn aangetroffen, alsmede een koelkast en een fornuis waarvoor [ex-partner] bijzondere bijstand van de gemeente Arnhem had gekregen. Voorts maakte het deel van de woning aan het adres [adres] te [woonplaats 2], waar [ex-partner] zegt te wonen, een onbewoonde indruk. Tenslotte wijzen ook de verklaringen van buurtbewoners rond de woning van appellante op een hoofdverblijf van appellante en [ex-partner] in de woning van appellante. Aan de verklaring die appellante heeft gegeven voor de aanwezigheid van de kleding van [ex-partner] gaat de Raad in het licht van vorenstaande voorbij. Eveneens gaat de Raad voorbij aan de stelling van appellante dat de in haar woning aanwezige administratie van [ex-partner] niet actueel zou zijn, gelet op de aanwezigheid van een aan [ex-partner] gerichte, in juni 2002 gedateerde, brief.
Dat appellante haar verklaring niet heeft ondertekend, betekent echter niet dat de Raad twijfel heeft aan de juistheid van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal.

Nu vast staat dat appellante en [ex-partner] een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de Abw, moet appellante als gehuwd worden aangemerkt. Door van deze gezamenlijke huishouding in het betrokken tijdvak bij het College geen melding te maken, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden. Het voorgaande betekent dat appellante over de periode van 11 januari 2002 tot en met 31 december 2003 niet langer kon worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand zodat zij dan ook geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder, zodat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) het recht op bijstand van appellante in te trekken. De Raad is niet gebleken dat het College bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid niet tot intrekking van het recht op bijstand van appellante heeft kunnen besluiten.

Met het voorgaande is gegeven dat het College bevoegd was om op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot terugvordering van de over de periode van 11 januari 2002 tot en met 31 december 2003 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van 29.195,71 over te gaan. Naar het oordeel van de Raad is er geen aanleiding te oordelen dat het College in het geval van appellante in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering.

Hetgeen door appellante overigens nog verder ter zitting is aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M. Pijper.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x