Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AX8381
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging van het recht op bijstand op de grond dat niet de gevraagde gegevens zijn overgelegd met name ter zake van het vrijwilligerswerk dat betrokkene verricht. Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting in verband met het niet inleveren van de gevraagde loonstrook.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/6290 NABW en 04/6291 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellant heeft mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Almelo van 1 november 2004, reg.nrs. 04/411 NABW en 03/1123 NABW.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 11 januari 2006, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Drunen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H. ten Cate en M. Roemers, beiden werkzaam bij de gemeente Hengelo.




II. MOTIVERING


Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 30 september 2002 heeft een medewerker van de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Hengelo een gesprek met appellant gehad omtrent diens recht op bijstand, dit nadat de bijstand van appellant, wegens een hem opgelegde maatregel, gedurende de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2002 met 100% was verlaagd.

Omdat appellant tijdens dat gesprek niet alle gevraagde loonstroken had overgelegd, is hem bij brief van 4 oktober 2002 alsnog de gelegenheid geboden de ontbrekende loonstrook van periode 7 (hierna: de loonstrook) vůůr 9 oktober 2002 in te leveren.

Bij besluit van 10 oktober 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant beŽindigd met ingang van 1 oktober 2002. Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting in de zin van artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft geschonden door tijdens het gesprek van 30 september 2002 onvoldoende inzicht te geven in de aard en de omvang van zijn vrijwilligerswerk bij ANTIFA/AFA alsmede door de bij brief van 4 oktober 2002 gegeven hersteltermijn ongebruikt te laten verstrijken. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen, aldus gedaagde.

Tevens heeft gedaagde bij hetzelfde besluit van 10 oktober 2002 aan appellant onder verwijzing naar artikel 14a van de Abw een boete opgelegd van Ä 45,-- in verband met het niet inleveren van de gevraagde loonstrook.

Op 20 februari 2003 zijn de brief van 4 oktober 2002 en het besluit van 10 oktober 2002 (wederom) aan appellant verzonden, nadat appellant gedaagde had laten weten dat deze stukken hem niet hadden bereikt.

Appellant heeft op 25 februari 2003 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 oktober 2002, welk bezwaar zich richtte tegen de opgelegde boete. Tevens heeft hij alsnog de bij brief van 4 oktober 2002 gevraagde loonstrook overgelegd. De gronden van het bezwaar zijn in een aanvullend bezwaarschrift van 7 april 2002 nader uiteengezet.

Bij besluit van 9 december 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2002 voorzover het de opgelegde boete betreft, en bij besluit van 30 maart 2004 voorzover het de beŽindiging van het recht op bijstand betreft, ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de ingestelde beroepen tegen de besluiten van 9 december 2003 en 30 maart 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd.

De Raad stelt allereerst vast dat in het besluit van 10 oktober 2002 twee objectief te onderscheiden besluiten zijn neergelegd, die los van elkaar staan en geen onderlinge verwevenheid hebben, te weten: een besluit tot beŽindiging van de bijstand van appellant en een boetebesluit.

Hij komt wat de beide (deel)besluiten betreft tot de volgende beoordeling.



De beŽindiging (reg.nr. 04/6290 NABW)

De Raad ziet zich - ambtshalve - voor de vraag gesteld of appellant tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 oktober 2002 voorzover betrekking hebbend op de beŽindiging van het recht op bijstand met ingang van 1 oktober 2002. Hij beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt.

Niet in geschil is dat het besluit van 10 oktober 2002 niet op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, zodat ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, de bezwaartermijn toen niet is aangevangen.

De Raad gaat er met partijen vanuit dat appellant van het besluit van 10 oktober 2002 niet eerder kennis heeft gekregen dan door de toezending hiervan bij op 19 februari 2003 gedateerde en op 20 februari 2003 verzonden brief, zodat de bezwaartermijn tegen het besluit van 10 oktober 2002 is aangevangen op 21 februari 2003 en eindigde op 3 april 2003.

De Raad stelt vast dat het bezwaar van appellant in zijn bezwaarschrift van 25 februari 2003 uitsluitend is gericht tegen het besluit van 10 oktober 2002, voorzover hem daarbij een boete van Ä 45,-- is opgelegd. Dit blijkt ook uit het (aanvullende) bezwaarschrift van 7 april 2003, waarin appellant opmerkt dat hij tevens bezwaar maakt tegen de beŽindiging van zijn recht op bijstand.

Dit betekent dat appellant niet eerder dan op 7 april 2003 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 oktober 2002 betreffende de beŽindiging van zijn recht op bijstand. Aldus heeft appellant wat het gemaakte bezwaar tegen deze beŽindiging betreft in zoverre de ingevolge artikel 6:7 van de Awb voor het indienen van een bezwaarschrift gestelde termijn niet in acht genomen. De Raad ziet geen aanleiding deze termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

Nu de rechtbank het vorenstaande niet heeft onderkend, dient de aangevallen uitspraak van 1 november 2004, reg.nr. 04/411 NABW, te worden vernietigd. De Raad zal - doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen - het beroep gegrond verklaren, het besluit van 30 maart 2004 wegens strijd met artikel 6:7 van de Awb vernietigen en het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2002 voorzover gericht tegen de beŽindiging van het recht op bijstand niet-ontvankelijk verklaren.



De boete (reg.nr. 04/6291 NABW)

Gedaagde heeft aan de bij besluit van 10 oktober 2002 opgelegde boete ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting nu hij de bij brief van 4 oktober 2002 geboden hersteltermijn om de loonstrook in te leveren, ongebruikt voorbij heeft laten gaan.

Appellant ontkent dat hij de brief van 4 oktober 2002 omstreeks die datum heeft ontvangen en stelt hiervan pas kennis te hebben genomen na ontvangst van de brief van 19 februari 2003. Appellant heeft vervolgens bij brief van 25 februari 2003 de loonstrook alsnog aan gedaagde gezonden en is van mening dat hij aldus niet in verzuim is geweest.

De Raad stelt vast dat de brief van 4 oktober 2002 niet aan appellant is uitgereikt noch aangetekend of met bericht van ontvangst is verzonden. Dit sluit niet uit dat verzending langs andere weg wordt aangetoond. Daartoe volstaat echter niet de enkele stelling van gedaagde dat in het algemeen mag worden uitgegaan van verzending van een schriftelijk stuk, indien dat is voorzien van een verzendstempel. Nu enige aantekening van feitelijke verzending ontbreekt en appellant de ontvangst van de brief omstreeks 4 oktober 2002 betwist, is naar het oordeel van de Raad in dit geval geen sprake van bekendmaking op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze.

De Raad gaat er vervolgens vanuit dat appellant niet eerder kennis heeft gekregen van de brief van 4 oktober 2002 dan door toezending bij brief van 19 februari 2003. De Raad is dan ook van oordeel dat nu appellant binnen de in de brief van 4 oktober 2002 gestelde termijn van vijf dagen alsnog de door gedaagde gevraagde loonstrook heeft overgelegd, hem niet verweten kan worden dat hij de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting niet is nagekomen, zodat gedaagde ten onrechte appellant een boete heeft opgelegd.

Het vorenstaande betekent dat het besluit van 9 december 2003 in rechte geen stand kan houden. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt ook de aangevallen uitspraak van 1 november 2004, reg.nr. 03/1123 NABW, voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 9 december 2003 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De Raad zal tevens zelf in de zaak voorzien en het - primaire - besluit van 10 oktober 2002 herroepen, nu dit besluit op dezelfde onjuist gebleken grondslag berust.

De Raad ziet tenslotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op Ä 966,-- in beroep en op Ä 966,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op Ä 4,40 in beroep en Ä 31,-- in hoger beroep voor reiskosten.

De Raad merkt aangaande de op het proceskostenformulier gevraagde verletkosten nog het volgende op. Voorzover deze kosten zijn gevraagd ten behoeve van de gemachtigde van appellant, komen deze niet voor vergoeding in aanmerking, nu artikel 1, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht slechts voorziet in de mogelijkheid van vergoeding van de verletkosten van een partij. Voorzover deze kosten zijn gevraagd ten behoeve van appellant, komen deze evenmin voor vergoeding in aanmerking nu appellant heeft nagelaten bewijsstukken over te leggen die aannemelijk zouden kunnen maken dat zodanige kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

In het geding met reg.nr. 04/6290 NABW
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 30 maart 2004;
Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2002 voorzover het de beŽindiging van het recht op bijstand betreft niet-ontvankelijk;

In het geding met reg.nr. 04/6291 NABW
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 9 december 2003;
Herroept het besluit van 10 oktober 2002 voorzover het de boete betreft;

Proceskosten en griffierecht
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van Ä 1.967,40, te betalen door de gemeente Almelo;
Bepaalt dat de gemeente Almelo aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal Ä 139,-- (reg.nr. 04/6290 NABW) en Ä 133,-- (reg.nr. 04/6291 NABW) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x